De 'Larense janboel'

door Christiaan Weijts

Wat is er vandaag nog over van historische literaire plekken? In deze serie reist Christiaan Weijts door het land met foto’s uit het archief van het Literatuurmuseum en schiet die ‘opnieuw’. Deze keer: de villa en hut van Adriaan Roland Holst in Blaricum.

 

Er hangt mist als ik Laren nader, en dat komt wel goed uit. Mist maakt de wereld zwart-wit, geknipt voor wat ik wil: tijdreizen. Ik wil nagaan of er nog iets over is van het Laren en Blaricum tussen fin-de-siècle en Eerste Wereldoorlog. Daarvoor heb ik stapeltje vergeelde foto’s uit het Literatuurmuseum meegenomen en een camera om ze ‘opnieuw te schieten’.

Aan het einde van de negentiende eeuw hadden de schilders deze dorpjes op de hei ontdekt, waar ze het stadsrumoer en de rokende schoorstenen van de opkomende industrie ontvluchtten. Jozef Israëls, Anton Mauve, Jan Veth: allemaal waren ze aangetrokken door de natuur, het plattelandsleven, schaapskudden en boerenhuisjes, waarvan de armoede tot hun romantische verbeelding sprak.

Dat laatste is in elk geval al radicaal veranderd. Anderhalve eeuw later is Blaricum de rijkste gemeente van ons land; Laren staat op nummer drie (het zilver ertussenin gaat naar Bloemendaal). Zodra je de dorpen nadert, rijden er al opvallend veel Porsches om je heen.

De lange lanen zijn geflankeerd door dichte heggen, waar de met riet gedekte daken boven uitsteken van royale villa’s. De gemiddelde koopsom is hier 1,1 miljoen.

Het enige wat nog aan de vroegere landbouw herinnert, tussen de lanen en de omheinde gazons, zijn wat sporadische akkergronden, beheerd door de Stichting Oude Landbouwgewassen Laren. Nu, aan het begin van het voorjaar, liggen ze er leeg en omgeploegd bij. Door schilderijtjes die er op bordjes zijn gespijkerd, van de plaatselijke kunstenaar Paul Goyarts, krijg je een beeld van hoe het hier geweest moet zijn, met rietsnijders, boerenfeesten, ploegende ossen door verstilde landschappen. Bij mist en door je oogwimpers kun je je een beetje voorstellen hoe de schilders het gezien hebben die hier verder alleen op straatnaambordjes voortleven: Wally Moes, Ru en Anton Mauve.

Hun werk is te vinden in het Museum Singer, en pal daarachter, waar ik parkeer, stuit ik meteen op de eerste foto uit het Literatuurmuseum die ik ‘opnieuw’ wil maken. ‘Heidreef’ staat er in een metalen hek, met daarachter een strak grindpad en geometrisch in model geknipte heggetjes. 

De Heidreef is de villa die Richard Roland Holst in 1903 voor hem en zijn vrouw Henriette liet bouwen door Berlage. Het werd het culturele trefpunt voor de schilders, dichters en schrijvers in de omgeving. Ook voor neef Adriaan Roland Holst werd het een magische plek. Later beschreef hij de woonkamer als een ‘arsenaal van de geest’, en hij was vooral gehecht aan de ‘stille, prachtig tuin’ waar ‘eindeloos gepraat werd over goed en kwaad, over schoonheid en waarheid’.

De foto uit het museum moet vanuit die tuin gemaakt zijn, aan de achterkant, maar dit pand is al zo stevig beveiligd met camera’s en hekken dat zelfs het schieten van een foto al een beetje onoorbaar voelt. Laat staan dat ik zou doen wat neef Adriaan in 1919 deed, toen zijn oom en tante al naar Zundert waren verhuisd. ’s Nachts kwam hij er langs en had ineens de aandrang om over het hek te klimmen, en wat bloemen te plukken, die hij aan zijn tante stuurde. Het was er, schreef hij haar: ‘onwezenlijk wit van de bloemen’. Gelukkig staat er een kersenboom in bloei, zodat je je daar nog iets van kunt voorstellen.

Arm waren de Roland Holsten allerminst, maar ze zetten zich wel nadrukkelijk in voor het socialisme. Henriette – bijgenaamd ‘rode Jet’ – was prominent lid van de SDAP en had contact met internationale marxisten als Rosa Luxemburg en Leon Trotski.

Erg rood is het stemgedrag hier niet meer. Bij landelijke verkiezingen wint de VVD hier met grote overmacht. Het afgelopen najaar, dat van 2018, deden de gemeenteraden een poging om de provinciegrens te verleggen, zodat de dorpjes niet meer in Noord-Holland zouden liggen maar bij Utrecht zouden horen. Achterliggende reden: er waren plannen om de dorpen te laten fuseren met Huizen, zodat er één grote fusiegemeente in het Gooi zou ontstaan. Maar Laren en Blaricum hamerden op hun autonomie. De fusieplannen zijn inmiddels weer van tafel. De provinciegrens blijft vooralsnog op zijn plek.

Al met al maken ze een wat gesloten indruk, deze dorpen. Met hun aangeharkte rechtlijnigheid lijken ze het omgekeerde van de anarchistische bende die het rond 1900 moet zijn geweest.

Het beste boek over die periode is De wereld in een dorp van Lien Heyting, die een diepgravende studie deed naar schilders, schrijvers en wereldverbeteraars die hier tussen 1880 en 1920 bivakkeerden. Achterin heeft zij een plattegrondje opgenomen, aan de hand waarvan ik mijn volgende foto wil maken: die van de hut die Adriaan Roland Holst er liet bouwen, in 1911.

Het was de tijd van de koloniën, idealistische communes, anarchisten, vegetariërs, spiritisten en wat je allemaal nog meer aan zweverigs kon bedenken. De ‘lari-blari’-atmosfeer, werd het genoemd.

Jacob van Rees begon in 1899 zijn landbouwkolonie, die trouw was aan de christen-anarchistische beginselen van Tolstoj. Er moest een volmaakte maatschappij opbloeien, zonder geweld, zonder drank, vegetarisch en vol naastenliefde.

Het enige wat er hier in Blaricum nog aan herinnert zijn de straatnamen: het Koloniepad en de Professor van Reeslaan. Nou ja, sommige van de grote oude bomen kunnen die tijd misschien nog hebben meegemaakt. 

Het is een verschijnsel dat me fascineert, en dat je in die tijd in heel Europa ziet. Midden in de grote veranderingen van de industriële revolutie manifesteert zich ineens de drang om er uit te stappen, om terug naar de natuur te keren en aan je spirituele groei te werken, enzovoorts. De decadente esthetiek van het fin de siècle is nog niet ten einde, de grote wereldoorlogen smeulen alleen nog onder de grond, die overal aan het verschuiven is, met de grote omwentelingen – het verkeer, de fabrieken, de elektriciteit – en ergens in die kanteling, ergens in die krankzinnige transformatie van alle segmenten van het bestaan, komen die clubjes op van hutjesbewoners, kolonisten, theosofen en natuurreligieuzen.

Telkens als de geschiedenis doldraait, manifesteren ze zich opnieuw, of het nu bohemiens zijn, hippies of New Age-aanhangers. De maatschappij is mislukt, dus schuiven we die terzijde en beginnen helemaal opnieuw, from skratch, maar dit keer zuiver, dit keer echt. Berucht was de commune in Ascona, Monte Verità, aan het Lago Maggiore, waar ze naakt aan de oevers dansten.

Blootsvoets trokken ze door Europa, dweepten met Tolstoi, met Blavatsky, Rudolf Steiner. Misschien is het juist door die grote veranderingen. Niemand kon zich een voorstelling maken van hoe het leven er over tien of twintig jaar uit ging zien. Is het daarom dat ze teruggrepen op wat ze als onveranderlijke menselijke kern zagen? Is het daarom dat ze hun séances gingen houden, hun orgieën, hun ratjetoe van dionysische rituelen, Indiase mystiek en een dieet van oerproducten?

Adriaan Roland Holst moest daar trouwens weinig van hebben. Toen hij in 1911 zijn hut liet bouwen, was dat vooral om zich af te zonderen: ‘Laren is wel door veel idioten bewoond, maar die ken ik niet.’ Hij snakt naar ‘stilte, eenzaamheid, zuivere lucht.’

Die vond hij hier – in een huisje dat ik nu nog – over een heg heen, kan zien. Ja hoor, ook die veranda is er nog. Zelfs het bankje lijkt nog hetzelfde, evenals de luiken voor de ramen, de traptreden. Alleen de regenton is verdwenen. En de omliggende bosjes zijn vervangen door een strak gazon, waarin een trampoline is uitgegraven.

En als je hem vanuit hetzelfde perspectief wilt schieten, lukt dat alleen tussen de struiken door, alweer doe ik het gehaast, omdat ik wel weet hoe verdacht dit overkomt in deze straten, waar overal waarschuwende stickers en bordjes opduiken: buurtpreventie, beveiliging.

Toen J.C. Bloem eens in precies deze hut op bezoek was geweest, schreef hij klagerig aan zijn vriend P.N. Van Eyck: ‘’t Is een ongelooflijke janboel in het Gooi (…) Het is er om absoluut te gronde te gaan en niets meer te praesteeren.’

Van die anarchistische bende is niets meer over. De janboel heeft plaatsgemaakt voor strakke gazons. De commune-gedachte van gezamenlijkheid zie je alleen nog terug in de bordjes: ‘Deelname collectieve beveiliging.’