Het raadsel van Hella Haasse’s labyrintschema

door Christiaan Weijts

Het is een van de favoriete boeken van Beatrix, De tuinen van Bomarzo (1968). De toenmalige koningin bekende dat bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Hella Haasse in 2004: ‘Ik ben later met mijn man en zoons in die tuinen geweest. Daar voelde ik dat u onzichtbaar met ons meeliep en op die speciale Hella Haasse-manier ons betrok bij het mysterie van deze unieke schepping. Met dat schitterende boek was u opeens ook – als ware dochter van uw vader – de schrijfster van een detectiveroman.’

Hella S. Haasse

 

En inderdaad is bijna alles aan het boek raadselachtig. De vorm – hoort het bij fictie of non-fictie? –, de aanleiding voor het boek. Zelfs de documenten erover die het Literatuurmuseum bezit dwingen je in een detectiverol.

 

Bemoste beelden van monsters en draken

 

‘Ik wilde naar Bomarzo,’ schrijft Haasse op de derde pagina van het boek. ‘Wat ik daar hoopte te vinden had ik niet kunnen zeggen, maar ik had die tuinen nodig, al wist ik niet hoe en waarom.’ Misschien begon de fascinatie al met dromen die ze als kind had over labyrinten en doolhoven. Halverwege de jaren vijftig stuitte ze toevallig op een fotoreportage van die toen net ontdekte tuinen, die halverwege de zestiende eeuw waren aangelegd in midden-Italië. Ze stonden vol bemoste beelden van monsters en draken, er gingen grillige labyrintvormige paden doorheen, en over de bedoeling en herkomst was amper iets bekend.

 

Over de schaarse historische gegevens legde zij een interpretatie, met nieuwe verbanden, waardoor haar boek een intrigerende mengvorm werd van feiten en fantasie, van dromen en bespiegelingen, van verzonnen verbanden tussen de bestaande brokstukken.

 

‘De geschiedenis kan op duizend manieren geschreven en herschreven worden. Verborgen onder de oppervlakte van het geijkte beeld van de historie, in de diepte, de massa van dat ontzaglijke materiaal, liggen, nog nooit “gezien”, de verbindingspunten van andere beelden met een ander perspectief en volstrekt anderen vormen en afmetingen.’

 

Klein groen deurtje

 

Het doorbladeren van haar aantekeningen uit die periode, plaatst je op een rare manier in diezelfde positie. Een archief doorbladeren is altijd archeologie bedrijven, en bij Haasse’s op het oog wat chaotische schriften en bladeren is dat al helemaal zo. Ineens kun je, op de kartonnen achterkant van een collegedictaat, in grote letters tegenkomen: ‘Manuscript. Donderdag 10 uur. [Onleesbaar: Irene Jils?]. VS. 78, 2 hoog. Klein groen deurtje.’

 

Zat ze aan de telefoon, terwijl ze instructies doorkreeg over bij welk klein groen deurtje ze een manuscript zou komen inleveren? Vondelstraat? Valeriusstraat? Waarom is het geheel daarna doorgekruist? Het zijn sporen van dagelijks leven, waar je alleen iets van kunt maken wat half feitelijk, half verzonnen is.

 

Het meest mysterieuze van al deze papieren is een prachtig labyrintvormige tekst, in vulpen geschreven op een bruin blad. Het blijkt een samenvatting of schema te zijn van De tuinen van Bomarzo, beginnend bij de ‘ik’ die ‘droomt van doolhoven’, en komt via allerlei omwegen, beschouwingen, speculaties en fantasieën over die Italiaanse tuinen uit bij de interpretatie van de tuinen als een ‘raadsel-spel’, een ‘geheim verzet tegen de politieke en religieuze verstarring en absolutisme’.

Een raadsel

 

Een raadselspel is dit schema zeker. Het begint al met de vraag: is het wel haar eigen handschrift? De Haasse-kenners die ik het voorlegde spreken elkaar tegen. Zelf neig ik ernaar (na vergelijking van bijvoorbeeld de eigenzinnig geluste g’s) het als haar secure, nette handschrift te zien, dat duidelijk verschilt van de losse en minder leesbare regels in het collegedictaat, dat van dat ‘groene deurtje’.

Wel vinden we hierin een eerste, schetsmatige versie van het labyrintschema, met nog tien in plaats van twaalf cirkels, waardoor ze aan het einde ruimte tekort lijkt te komen. Waarom en wanneer ze dit precies maakte?

 

Niemand weet het. Dus staat het ons vrij erover te speculeren. Eerst dacht ik dat het een oefening was om het creatieve proces los te krijgen. In de autobiografie van Gustav Jung – die ook gefascineerd was door labyrinten – heb ik eens gelezen dat hij een periode van creatieve stagnatie op een dag besloot om stenen te gaan stapelen, en huisjes en torens te gaan bouwen in de vrije natuur. Dat werkt. Om te kunnen schrijven moet je je regelmatig uit de starre kring van papier-pen-laptop-tekstverwerker losbreken. Ga koken, knutselen, vliegers oplaten of treinbanen bouwen en je kruipt met acht nieuwe ideeën terug achter je werktafel. Wat zei Cyril Connolly ook al weer? ‘Zodra er een kinderwagen de hal in wordt gereden, is het schrijverschap voorbij.’ Nou, wat die Jungiaanse remedie tegen het writer’s block betreft, komen die kinderen uitstekend van pas.

 

De vorm van een labyrint

 

Maar toch. De synopsis die Haasse in spiraalvorm neerpent is te vloeiend, te af, te trefzeker om voor een creatieve gymnastiekoefening door te kunnen gaan. Waarschijnlijk had ze het materiaal in grote lijnen al klaarliggen, en realiseerde ze zich dat haar boek over een labyrint natuurlijk ook de vórm moest krijgen van een labyrint, van het soort doolhof waar alles in dit boek mee begint: ‘Het is begonnen met dromen. Ik doolde door grotten, onderaardse gangen, labyrinten van dalende en stijgende kokers’.

 

Kees Fens, die het boek in 1969 in de Volkskrant besprak, herkende de labyrintische structuur van het boek: ‘Door een wirwar van gangen, waarin op het eerste gezicht geen patroon aanwezig is, moet de schrijfster haar weg zoeken, langs een dunne draad van intelligentie en kennis.’

 

Wat ook kan: ze had het boek al helemaal af, en wilde dit als omslagontwerp ervoor gaan gebruiken, of als inhoudsopgave. Het labyrint heeft het aandoenlijke van het zelfgemaakte. Met een passer (zo leert de detective in mij, als ik het vel tegen het licht houd) zijn de twaalf cirkels getrokken, waardoor het handschrift telkens even moet smokkelen om in de volgende baan te komen. Een professional had een echte spiraal getrokken, en had daar vast ander papier voor gebruikt dan dit. 

 

Afgaande op de opdrukken op de achterzijde (‘sacs kraft, super autocol’) is het een zelfklevende envelop geweest van Frans kringlooppapier. Koos Haasse bewust voor kringloop papier voor haar cirkelvormige schema? Of begin ik er nu te veel achter te zoeken? En is dat misschien wel precies haar bedoeling hiermee geweest?

 

Misschien is er maar één iemand die het antwoord weet. Iemand die ergens op huisnummer 78, op tweehoog woont, achter een klein groen deurtje.