ofwel:
Ontwikkeling van de Avonturen van Tom Poes tot de ‘Bommel-saga’

Toen Tom Poes op die zestiende maart van 1941 De Telegraaf kwam binnenwandelen, had niemand kunnen denken dat Toonder het met deze strip tot 1986 uit zou houden. Toch stonden de verhalen over heer Bommel en Tom Poes 45 jaar lang in de krant. Zij vormen daarmee een buitengewoon omvangrijk oeuvre: bijna twaalfduizend tekenstroken met bijbehorende teksten. Wat de stripserie extra uniek maakt, is de duidelijk zichtbare ontwikkeling ervan. In de loop van enkele decennia groeide de strip van sprookjesachtige verhaaltjes voor kinderen uit tot literaire verhalen met een volwassen thematiek – hoewel Toonder zijn publiek bleef aanspreken als ‘oplettende lezertjes’. Ook de tekenstijl, de personages en het taalgebruik evolueerden door de jaren heen.

Zonder de komst van heer Bommel, in het derde verhaal, was dit alles niet gelukt. Met hem als tegenspeler van Tom Poes ontstond er een spanningsveld tussen enerzijds zijn impulsiviteit en anderzijds het verstand en de ‘listen’ van Tom Poes.

Thematische ontwikkeling

De ontwikkeling in de diepgang van de Tom Poes-verhalen kreeg rond 1950 een extra impuls door het uiterst kritische commentaar van Joop Lücker, hoofdredacteur van de Volkskrant. De Telegraaf had na de oorlog een verschijningsverbod opgelegd gekregen, en Lücker had Toonder in 1947 overgehaald om met zijn populaire strip naar de Volkskrant en de NRC over te stappen. Maar de eerste verhalen waren Lücker tegengevallen.

Wat is er met je verhalen aan de hand? Gewone stripstories zijn het. Gaan van A naar B, en ze zijn zo plat als een dubbeltje. Ze vallen me tegen. […] Het wordt tijd dat je beter je best gaat doen. Je verhaaltjes hebben alleen maar een plot. Ze hebben geen inhoud. Waar is het karakter van je Bommel gebleven? Denk daar maar eens over.

— Joop Lücker

Toonder schrijft in zijn autobiografie dat hij in eerste instantie nogal verontwaardigd was, maar later erg dankbaar: Lücker opende zijn ogen voor de mogelijkheden van de Bommelstrip. De verhalen kregen hierna meer diepgang en gingen inspelen op maatschappelijke thema’s. Bommels ‘diepe gevoelsleven’ werd vaker aangesproken en hij werd de onbetwiste hoofdfiguur van de verhalen. Begonnen de titels van de oudste verhalen altijd met ‘Tom Poes en …’, vanaf de jaren vijftig gingen steeds meer verhalen ‘Heer Bommel en …’ heten.

Ontwikkeling van de tekenstijl


Aan de tekeningen van de eerste Tom Poes-verhalen is te merken dat het verhalen voor kinderen zijn. Tom Poes is een pluizig diertje, dat uit de Miezelientje-verhalen van Phiny Dick lijkt te zijn weggelopen. Bommel is een goedmoedige, aaibare teddybeer. Het is hier nog duidelijk te zien dat Toonder voor de anatomie van zijn figuren gebruikmaakt van cirkelvormen. De landschappen en andere decors zijn ietwat schematisch maar wel trefzeker getekend: Toonder heeft er immers al een tiental jaren tekenwerk op zitten. Toch zijn er in de jaren erna al snel ontwikkelingen in de tekenstijl waarneembaar. Zo worden de vormen van de beide hoofdfiguren wat gladder. De achtergronden worden complexer en de landschappen verfijnder.

Overigens zijn de uiterlijke verschillen in tekenstijl niet alleen toe te schrijven aan Toonders hand. Al snel zette Toonder andere tekenaars in die door hemzelf en in zijn Studio’s opgeleid werden. Wim Lensen, Carol Voges, Ben van Voorn, Ben van ’t Klooster, Dick Matena en Terry Willers: stuk voor stuk waren het zeer kundige medewerkers door wie Toonder zich liet bijstaan. Na zijn emigratie naar Ierland in 1965 waren achtereenvolgens Fred Julsing en Piet Wijn jarenlang de vaste medewerkers voor de Bommelstrip.

De precieze verhouding tussen wat Toonder zelf deed en het aandeel van zijn medewerkers is niet altijd goed meer te achterhalen. In de periode vóór 1965 had Toonder vaste ‘plotters’ zoals Lo Hartog van Banda, Waling Dijkstra en Jan Gerhard Toonder die hem hielpen bij het verzinnen van verhaalideeën. Het daadwerkelijke verhaal schreef hij meestal zelf. De eerste opzet van de tekenstroken in potlood werd over het algemeen op aanwijzingen van Toonder gemaakt door een medewerker, waarna Toonder ze door middel van uitmuntend penseelwerk in Oost-Indische inkt zette. En hoewel hij dit tekenwerk waar nodig met gum en tekengerei aanpaste, hebben deze tekenaars toch een aanwijsbare invloed gehad op het uiterlijk van de tekeningen en de personages.

3
foto's

Knip-en-plakwerk ‚Äč

 

Bij het maken van een tekenstrook voor een nieuw verhaal werd soms creatief gebruik gemaakt van plaatjes uit een oude strook. Zo werd voor strook 01520 uit ‘Heer Bommel en de vergelder’ (1984) het eerste plaatje van strook 8637 uit ‘Heer Bommel en de zonnige kijk’ (1976) met enige aanpassing hergebruikt.

Romantische sfeer

Wat veel liefhebbers in de Bommelsaga aanspreekt is de romantische, ietwat sprookjesachtige sfeer. De tekeningen ademen vaak gezelligheid en nostalgie. Het middeleeuwse stadje Rommeldam doet Anton Pieck-achtig aan met de nauwe straatjes en scheefgezakte huizen.

Ook de landschappen zijn belangrijke sfeermakers. Ze zien er soms idyllisch uit met lieflijke bloemenweiden.

Elders zijn ze weer woest en dreigend met boven de nevels uitrijzende bergpieken en kale, kromgegroeide bomen met grijparmen en ‘draadhippel’.

De verschillen in sfeer van elk van de jaargetijden worden maximaal ingezet, waarbij het jaargetijde meestal aansluit bij het seizoen waarin het betreffende verhaal in de krant stond. Vooral in de verhalen van na 1965, het jaar dat Toonder naar Ierland verhuisde, krijgt de natuur steeds meer de magische trekken van het Ierse landschap.

Hoewel Toonders tekeningen in zwart-wit zijn gemaakt, vertonen ze toch verbazend veel schakeringen: er wordt op inventieve wijze gebruik gemaakt van allerlei soorten arcering, diepe schaduwen en van (in de latere verhalen soms zelfs diverse soorten) puntjesraster.

De sfeer van de tekeningen wordt vaak ondersteund door de tekst. Veel verhalen starten bijvoorbeeld met een soort ‘Natureingang’. Zo wordt ‘Tom Poes en de ombrenger’ geopend met een aflevering waarin de knusheid van slot Bommelstein wordt versterkt door het contrast met het herfstweer buiten.

Het was herfst geworden en zware wolkenvelden joegen langs het zwerk, zodat het die dag niet licht werd. In Bommelstein was het echter warm en gezellig, en het knetteren van de haard overstemde het huilen van de wind in de schoorsteen.

 

‘Luister nu toch eens!’ sprak heer Ollie, toen een regenvlaag tegen de ramen kletterde. ‘Wat zullen arme lieden, die nu in hun eenvoudige auto’s naar buiten moeten, het moeilijk hebben!’

 

‘Jij denkt toch ook altijd aan anderen, Ollie’, zei juffrouw Doddel bewonderend. Ze was langsgekomen om een paar eieren te lenen en nu dronk ze een kopje thee mee, voor de gezelligheid.

Het taalgebruik

Ook het taalgebruik in de verhalen maakte een sterke ontwikkeling door die synchroon liep met de evolutie van een kinderstrip naar een strip voor volwassenen. De allereerste aflevering van ‘Avonturen van Tom Poes’ is door Toonders vrouw Phiny geschreven in een kinderboekenstijl die doet denken aan Winnie-the-Pooh:

 

Tom Poes woonde dicht bij een groot woud. Daar wandelde hij graag in, want je kunt van alles beleven in zoo’n bosch. Dat komt van al die boomen, denk ik; bij den eenen boom weet je niet wat je bij den volgenden zult zien. Op een dag was hij vroeg op stap gegaan, de zon scheen stralend en de vogels zongen.


“Echt een dag voor avonturen”, dacht Tom Poes.
Hij had zoo misschien een halfuurtje geloopen, toen hij een luid gehijg hoorde.


“Dat beteekent iets”, dacht hij. “Wanneer je in een bosch gezucht hoort en je doet het niet zelf, dan moet er iemand anders zijn.” Hij keek eens om zich heen en toen zag hij een eindje beneden zich een dwerg, die hijgend en steunend een grooten zak over het boschpad trok.


“Tjonge” dacht Tom Poes. “Dat is een zwaar vrachtje voor zo’n klein mannetje. Wat zou hij daar mee willen? Wat zou er in die zak zitten? Daar moet ik het mijne van hebben!”

In het taalgebruik van de latere Bommelverhalen laat Toonder een grote mate van creativiteit zien. Het is bekend dat door hem bedachte woorden (neologismen) als breinbaas, minkukel, denkraam en kommer en kwel de dikke Van Dale haalden, maar daarnaast bevatten zijn verhalen vele andere woordvondsten: ikkerik, ipsen, natschutsel, draadhippel, verturving, bletsuren, oligofrenische aliënatie, Kalmanpil, enzovoort. Overigens blijkt niet zelden dat woorden die op het eerste gezicht typische Toondervondsten lijken, tóch gewoon in het woordenboek staan. Want Toonder heeft óók een voorkeur voor het gebruik van onbekende of in onbruik geraakte termen. Zijn proza bevat veel archaïsmen, en ook zijn stijl is als archaïsch te typeren. Zo gebruikt hij regelmatig woorden zoals toorn, gelaat, mat, doch, schare, zwerk en struweel.

Deze combinatie van neologismen én archaïsmen geeft Toonders verhalen een tijdloos tintje. Zelf verklaarde hij dat hij de Nederlandse taal in de volle breedte wilde gebruiken.

De oorzaak is dat de taal me erg dierbaar is. In de loop van de jaren ben ik het Nederlands steeds meer gaan waarderen. Het zou te houterig en te bonkig zijn, maar dat is een onrechtvaardig oordeel. Neem de Grote Van Dale maar: wat een keuze aan woorden! En daar zijn heel mooie bij, maar die vindt men archaïsch. Het Nederlands van de vorige eeuw en dat van de Statenbijbel, dat is eigenlijk hét Nederlands. Ik heb daardoor een enorme waardering gekregen voor het Vlaams dat uitdrukkingen gebruikt met ‘oud-Nederlands’ erachter. Maar ik denk: wat veel mooier is dat woord dan het nieuw-Nederlands, dat terugloopt naar verruwing en verharding.

 

— uit een interview met Rob Schouten in Trouw, 8 september 1988

Toonders verhalen worden ook gekenmerkt door veel humor. Woordspelingen, ironie, hyperbolen (overdrijving) en understatements zijn veelvuldig ingezette stijlfiguren. Ook heer Bommels warrige manier van spreken met verhaspeling van spreekwoorden en gezegdes (contaminaties) werkt sterk op de lachspieren.

 

Wat?’ riep hij uit.

 

‘En dat zeg je nu pas? Hier zit ik, in vreselijke onzekerheden, en jij laat me rustig in mijn eigen sop wegzinken. En dan, als het kalf verdronken is, kom je me vertellen, dat er een huis op is gebouwd. Mooi is dat! Hier moet onmiddellijk worden ingegrepen, al zou ik dat kantoor met mijn eigen handen in de grond moeten boren. Kom mee, jonge vriend. Volg me.’

Toonder gaf al zijn personages hun eigen, typerende idioom, waarbij ze steeds dezelfde clichés gebruiken. Heer Bommel is onder meer bekend van zijn uitspraken ‘als je begrijpt wat ik bedoel’, ‘geld speelt geen rol’ en ‘een eenvoudige doch voedzame maaltijd’. Tom Poes is een denker die weinig woorden vuilmaakt; zijn meest gebezigde woord is dan ook ‘hm’. De bediende Joost doorspekt zijn taal te pas en te onpas met beleefdheidsfrasen als ‘excuseer’, ‘als u mij wilt verschonen’ en ‘met uw welnemen’. Professor Prlwytzkofski gebruikt veel germanismen en de markies De Canteclaer veel gallicismen. Vaak hebben het jargon en de daarin gebruikte clichés te maken met de beroepsgroep die het betreffende personage vertegenwoordigt. Zo zegt politiecommissaris Bulle Bas regelmatig: ‘je bent er gloeiend bij’, en de psychiater Zielknijper: ‘ik zie dat zo dikwijls in mijn praktijk’.

De plaatjes zijn niet zomaar illustraties bij de tekst, er is een echte wisselwerking tussen de taal en het beeld. Dit levert veel humoristische scènes op.

Intussen zat heer Bommel in zijn studeerkamer met een leerzaam boek op de buik. Hij had het ter hand genomen, omdat hij innerlijk geplaagd werd door onvoldane gevoelens, terwijl buiten de regen tegen de ramen kletterde. Het is dan ook te begrijpen, dat hij de ogen gesloten had om zich beter te concentreren.

De keuken schudde op haar grondvesten, zodat de bereiding van het ontbijt ernstig gestoord werd.

Erelidmaatschappen en prijzen

Zo ontwikkelde een kinderstrip met een avontuurlijke kat zich tot een omvangrijk en prachtig oeuvre dat tegenwoordig vaak met de vleiende term ‘Bommelsaga’ wordt aangeduid. De kwaliteit van de verhalen werd al snel erkend, wat ertoe leidde dat Marten Toonder in 1954 tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde werd benoemd. En in 1967 bundelde uitgeverij De Bezige Bij een drietal verhalen als Literaire Reuzenpocket (LRP 250): Als je begrijpt wat ik bedoel. Hoewel de plaatjes in deze literaire boekenreeks tot postzegelformaat waren teruggebracht, werden de verhalen in deze vorm een nog groter succes dan ze al waren: tot eind jaren tachtig verschenen er jaarlijks twee ‘bestsellers’ op Toonders naam.

Toonders veelzijdigheid en het niveau van zijn werk worden onderstreept door diverse andere erelidmaatschappen en prijzen. Hij werd niet alleen onderscheiden op het gebied van strip en tekenfilm (1968: erelid van Het Stripschap, 1982: Stripschapsprijs, 1983: erelid Holland Animation, 1997: Golden Adamsonprijs van de Zweedse Stripacademie), maar ontving in 1992 ook een literaire oeuvreprijs: de Tollensprijs. In 1995 werd hij benoemd tot erelid van het Genootschap Onze Taal ‘voor zijn creatieve taalgebruik en voor zijn grote bijdragen aan de verrijking van het Nederlands’.

2
foto's

Monster van Loch Ness

 

Na de oorlog werden enkele verhalen van heer Bommel en Tom Poes die als tekststrip in de krant hadden gestaan omgewerkt tot balloonstrips voor jongere kinderen. Deze werden vooral geplaatst in (week)tijdschriften. Dat gebeurde bijvoorbeeld met ‘Tom Poes en het monster van Loch Ness’ (1947-1948). In 1949 verscheen hiervan een Engelse bewerking in Tom Puss comics: ‘Tom Puss and the Loch Ness monster’. De oorspronkelijke verhaallijn bleef gehandhaafd, maar de tekst werd drastisch ingekort. Het grootste verschil is dat de oorspronkelijke stroken met zwartwittekeningen plaats maakten voor pagina’s in kleur, afwisselend met steunkleur en in full-color.

De Bommelfilm

Decennialang was het Toonders droom om een grote tekenfilm te maken met Bommel en Tom Poes in de hoofdrol. Een stripfiguur tot leven te wekken op het witte doek beschouwde hij als een soort magie en als het hoogst haalbare voor een striptekenaar. Tijdens de Duitse bezetting werkte hij met zijn studio’s aan Tom Poes und das Geheimnis der Grotte voor een Duitse opdrachtgever. Deze film kwam echter nooit af. Ook in de naoorlogse periode bleef hij deze wens koesteren, alleen lukte het steeds maar niet om er voldoende geld voor bij elkaar te brengen. Het bleef bij kortere filmpjes met het duo zoals reclamefilmpjes voor Philips (o.a. Tom Poes en het schaduwslot, 1948). Omdat er 24 tekeningen in een seconde tekenfilm gaan en die allemaal met de hand gemaakt moesten worden, was het maken van een avondvullende tekenfilm een tijdrovende en peperdure klus. De Toonder Studio’s produceerden in de loop van de jaren vele animatiefilms, maar dit waren hoofdzakelijk reclamefilmpjes in opdracht.

Eind jaren zeventig werd Marten Toonder benaderd door de succesvolle filmproducent Rob Houwer voor het maken van een grote Bommeltekenfilm. Houwer bracht meteen ruim drie miljoen gulden mee voor de financiering. Voor het verhaal werd gekozen voor een grondige bewerking van het Bommelverhaal ‘Heer Bommel en de zwelbast’ (1957).

Op 2 februari 1983 kon in het Tuschinski-theater in Amsterdam Als je begrijpt wat ik bedoel in première gaan: de eerste Nederlandse avondvullende animatiefilm en met ruim een half miljoen bioscoopbezoekers was hij in Nederland een groot succes. Toonder was er zelf echter niet tevreden over: hij typeerde de film als ‘veel geschreeuw maar weinig wol’.

Personages
Ei, ei!
Professor Sickbock
Ei, ei!
Burgemeester Dickerdack
Wet is wet. Maar men moet op de mazen letten...
Drs. Zielknijper
Ik zie dat dikwijls in mijn praktijk
Wal Rus
Overgehaalde landrotten
Wammes Waggel
Hihihi, wat enigjes!
Kruidenier Grootgrut
Overheerlijke grutsprits
Joost
Met uw welnemen
Hocus P. Pas
Bij Zazel en Iod!
Terpen Tijn
Eh... dinges
Dorknoper
Wij ambtenaren zijn de kwaadsten niet
Bul Super
Zaken zijn zaken
Argus
Een leuk cursiefje
Bulle Bas
Ik ga je bekeuren, Bommel. Wat is je naam?
Annemarie Doddel
Ach mallerd!
Markies De Canteclaer
Parbleu!
Kwetal en Pee Pastinakel
Alles gaat naar de verturving
Tom Poes en heer Bommel
Als je begrijpt wat ik bedoel - Hm
Professor Prlwytzkofski
Praw! Der hemeldonderweder!