Band van Uit Nic. Beets dichtwerken, eene bloemlezing (1880)

Beets als volksdichter

Rondzien, opmerken en herinneren

N

iet alleen voor Willem Bilderdijk heeft Nicolaas Beets grote bewondering, die heeft hij ook voor Hendrik Tollens. Met deze toch veel oudere dichter onderhoudt hij rond 1840 vriendschappelijk contact en hij draagt hem zijn Ada van Holland op. Sinds de jaren dertig geldt Tollens als de vaderlandse volksdichter bij uitstek, een reputatie waar Beets zeer tegen opziet. Nog voordat hij de Zwarte Tijd van zijn romantische dichtwerken definitief achter zich heeft gelaten, ontwikkelt hij de ambitie om net zo’n volksdichter te worden. In heldere versvormen en een ongekunsteld, zij het conventioneel poëtisch idioom probeert hij een zo breed mogelijk publiek te bereiken. Daar slaagt hij goed in; vanaf 1840 bundelt hij achtereenvolgens: Proza en poezy (1840), Korenbloemen (1854), Nieuwe gedichten (1857), Verstrooide gedichten uit vroeger en later tijd (1863), Madelieven (1869), Najaarsbladen (1881), Nog eens najaarsbladen (1884), Winterloof (1887), Nog eens winterloof (1892) en Dennenaalden (1900).

Zijn verzamelde gedichten beslaan uiteindelijk zo’n zestienhonderd pagina’s. In 1880 verschijnt er een bloemlezing uit zijn dichtwerken. Enkele van Beets’ gedichten worden vertaald in het Duits en Frans. Zelf vertaalt en bewerkt hij werk van Duitse, Engelse, Franse en Italiaanse dichters in het Nederlands.
 

In Beets’ poëzie, vaak lyrisch en didactisch-moraliserend van inslag, zijn drie hoofdcategorieën te onderscheiden. Een klein deel bestaat uit natuurlyriek, met name over het Hollandse landschap. Veel vaker is het huiselijke poëzie over een geliefde, over huwelijkstrouw en kinderzegen of over het verlies van een dierbare. Regelmatig heeft Beets het dan over zijn eigen vrouw en kinderen. Zijn huis, schrijft de criticus W.G. van Nouhuys:

heeft hij tot een glazen huis gemaakt, waarin heel zijn volk zien mocht zijn geluk en zijn leed. Alles moest het weten van zijn eerste, van zijn tweede huwelijk, van de kinderen, wier opklimmend aantal hem dichtens stof is.

3
foto's

Een laatste, belangrijk deel van Beets’ dichtkunst heeft in de eerste plaats een godsdienstige strekking, met Bijbelse verhalen, christelijke geloofswaarheden of religieuze ervaringen. Zelfs als hij in 1899 met zijn lied ‘De Boeren’ partij kiest in hun strijd tegen de Britten in Zuid-Afrika – Boerenleider Paul Kruger dankt hem er hartelijk voor – roept hij het opperwezen aan:

Behoud hen, Heer der legermachten,

Sta Godlijk aan hun zij,

Verhoog hen, die Uw heil verwachten,

Verplet hun weerpartij!

Laat nog de stervende eeuw ervaren,

Dat waar Ge in glans verschijnt,
’t Boos opzet van geweldenaren
Als rook en damp verdwijnt.

Vertrouwen op en dankbaarheid jegens God behoren overigens evenzeer tot de vaste ingrediënten in Beets’ huiselijke en natuurgedichten.
 

Voor zijn poëzie doet Beets vrijwel altijd inspiratie op in zijn eigen leef- en denkwereld. In 1885 schrijft hij ‘Aan mijn meerderen’:

Hoog vliegt gij op verbeeldings vlerken,

Ontdekt, vindt uit. – Ik niet als gij.
’k Voel mij tot enger kring beperken,

Zie rond, merk op, herinner mij.

Vandaar het grote aantal gedichten dat Beets wijdt aan familieleden, vrienden en bekenden, en aan hun feesten, jubilea, begrafenissen en dergelijke meer. Gelegenheidsverzen schrijft hij eveneens om minder bedeelden te ondersteunen. Zo wordt een acrostichon op Beets’ eigen naam, met als thema zijn devies ‘Namaals Beter’, in 1894 uitgegeven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Nederlandsche Hervormde Diaconie te Arnhem.

Ook luistert hij kerkelijke, vaderlandse en met het vorstenhuis verbonden hoogtij- en gedenkdagen op, al dan niet in opdracht. In 1865 levert hij zijn bijdrage aan de herdenking van de Slag bij Waterloo, in 1868 bezingt hij het slagveld van Heiligerlee en een jaar later dicht hij een cantate ter gelegenheid van de onthulling van het monument dat in Den Haag het einde van de Franse overheersing herdenkt. Beets is er als eregast bij aanwezig op uitnodiging van prins Frederik, voorzitter van het organiserend comité.

De dichter is een toegewijde Oranje-adept, die persoonlijk relaties met het hof onderhoudt sinds zijn vriendin Geertruida Toussaint hem in 1850 geïntroduceerd heeft bij koningin Sophie. ‘Ik zou dit nooit gezocht hebben’, bekent hij de schrijfster,

Maar nu het buiten mijn toedoen zoo is, grijp ik de gelegenheid gaarne aan. Toch weet ik dat ik Hare Majesteit tegen zal vallen. Ik ben de man niet om in een enkel bezoek iemand goed te doen.

Hij zal de vorstin in ieder geval gunstig gestemd hebben met een groot aantal Oranjegezinde en vaderlandslievende gedichten, bijvoorbeeld ‘Een Nederlandsch lied’, waarvan ieder couplet eindigt met ‘Oranje Boven!’ Zijn verknochtheid aan het vorstenhuis blijkt ook uit de foto die hij enkele decennia later van de piepjonge koningin Wilhelmina bewaart in zijn fotoalbum. Aan J.J. Deetman vertelt hij over zijn ontmoetingen met haar:

In Amsterdam en Rotterdam kwam ze met haar moeder op me toe en reikte ze mij haar handje, en [...] ’t mag kinderachtig heeten, maar ’k heb er in mijn gesloten kamer mijn God hardop voor gedankt.

Als koning Willem III in 1890 overleden is, leidt Beets een intieme ‘lijkdienst’ op paleis Het Loo.
 

Een laatste en bijzonder deel van Beets’ dichtkunst wordt gevormd door een klein aantal beeldgedichten, zoals hij die maakt bij gravures van J.H. Rennefeld naar schilderijen van Jozef Israëls, met wie hij goed bevriend raakt. In 1861 geeft A.C. Kruseman de prenten en gedichten uit onder de titel Kinderen der zee, wat Beets in zijn verzamelde dichtwerken verandert in het nationaler klinkende Ons visschersvolkje. Op zijn beurt inspireert Beets verscheidene componisten, onder wie J.J. Viotta, Anton Averkamp, Richard Hol, Wouter Hutschenruyter, Samuel de Lange, W.F.G. Nicolai, J.J. Verhulst en Bernard Zweers.
 

De meeste kunstenaarsvrienden heeft Beets echter onder collega-schrijvers. In de jaren 1836-1843 ontmoet hij die vooral in wat de Kring van Heiloo is gaan heten, de informele groep dichters en prozaïsten die dominee Johannes Hasebroek gastvrijheid biedt in zijn Heiloose pastorie, waar hij woont met zijn zus, de romanschrijfster en vertaalster Elisabeth (Betsy) Hasebroek.

Hier ontvangen zij Johannes’ voormalige studiegenoten, behalve Beets R.C. Bakhuizen van den Brink, L.R. Beijnen, W.G. Brill, Cornelis van Foreest, Bernard Gewin en Johannes Kneppelhout, naast andere, zowel oudere als jongere auteurs, zoals Willem de Clercq, Willem Hofdijk, Jacob van Lennep, E.J. Potgieter en Geertruida Toussaint. Met de meesten van hen blijft Beets in latere jaren in contact, terwijl hij mede dankzij zijn redacteurschap van de Nederlandsche Muzen-almanak nieuwe relaties kan aanknopen met vooraanstaande literatoren en critici zoals J.A. Alberdingk Thijm, Cd. Busken Huet, J.J. Cremer, J.J.L. ten Kate, en, in Vlaanderen, Anton Bergman en Hendrik Conscience.
 

Dankzij zulke connecties en natuurlijk zijn schrijverschap is Beets sinds de jaren veertig niet meer weg te denken uit het literaire leven van zijn tijd. Hij kan zich permitteren kieskeurig te zijn: aan de Almanak voor het Schoone en Goede van Toussaint draagt hij in 1850 nog wel een versje bij, maar eigenlijk is hij dat medium inmiddels ontgroeid, laat hij haar weten: ‘ik wenschte het Schoone en Goede te zien bloeien zonder almanakken’. In 1875 weigert hij een verzoek om medewerking aan het aan letterkunde en welsprekendheid gewijde weekblad Euphonia, voortkomend uit de Letterlievende Vereeniging Nicolaas Beets, omdat hij betwijfelt, zo schrijft hij aan redacteur A.J. Servaas van Rooyen, ‘of zij rijk genoeg is aan litterarische krachten, om met vrucht op deze wijze naar buiten te werken’. Twee jaar later houdt hij voet bij stuk tegenover de redacteur van het blad: ‘De kritiek daarin uitgeoefend vind ik uiterst zwak, en niet zelden stuit ik op aanmerkingen, die zoo vele bewijzen zijn van gebrek aan den noodige kennis’. Zelf is Beets onmiskenbaar een professional, die zich niet alleen in druk manifesteert, maar zich ook doet horen met voordrachten van eigen en andermans werk, zoals destijds gebruikelijk onder literatoren.

G. van Rijn suggereert dat Ada van Holland minder opgang gemaakt heeft dan de voorafgaande dichtwerken doordat de jonge dichter het bij enkele gelegenheden heeft voorgedragen zonder al bedreven te zijn in de kunst van het reciteren. J.J. Deetman vindt Beets evenmin een geoefend declamator, maar verzekert dat hij desondanks een aandachtig gehoor heeft gevonden:

Nóg herinner ik mij levendig den avond, dat ik hem in de kleine concertzaal van ’t zelfde gebouw [het Utrechtse Gebouw van Kunsten en Wetenschappen] verzen van hem zelven en anderen heb hooren lezen. De zaal was stampvol – de menschen stonden tot op ’t portaal, maar volmaakt stille aandacht bleef er ten einde toe. En toch – was er in zijn voordracht meer deun en dreun dan levendigheid. Van gebarenspel was heelemaal geen sprake. Ik weet dan ook eigenlijk nòg niet, waarin het geheim van zijn lezen gelegen was. Misschien wel in de rustigheid, de kalmte, die hem nooit begaven, gevoegd bij de waardigheid van heel zijn persoon.

In latere jaren wordt Beets nog steeds gewaardeerd om zijn eenvoudige maar meeslepende vertolking van poëzie. ‘In dat voordragen’, schrijft Johs. Dyserinck:

was hij een meester. Een gedicht van Vondel werd, uit zijn mond gehoord, een nieuw gedicht, alsof men het voor ’t eerst hoorde. Het was of er bij hetgeen de dichter had uitgedrukt nog iets kwam dat men er vroeger niet in had waargenomen; dat was zijn eigen gevoel, hetwelk het door den dichter gevoelde had overgenomen en er klank aan gaf.