Hoofdstuk 3
illustrator?

Dat zijn kracht vooral lag in het tot verbeelding brengen van verhalen, danken we aan een buurman van Max en Belleke. De goede man was uitgever bij Van Goor en zocht iemand die een van hun oude ‘sellers’, Versjes die wij nooit vergeten, met frisse illustraties nieuw leven kon inblazen. Omdat Max altijd in geldnood zat wilde hij dat wel proberen. Zeer tot zijn verbazing deden versjes als ‘Schuitje varen, theetje drinken’ en ‘Er liep een oude vrouw op straat’ zowel een beroep op zijn verbeelding als op zijn grafische ambachtelijkheid. En dus wilde hij ook het oude ABC van A is een aapje wel onder handen nemen. 

De twee boekjes Versjes die wij nooit vergeten en A is een aapje  leverden een serie archetypische figuren op met snor, baard en uitgesproken kinnebakken, alsmede knipogen naar de heldere lijnvoering van Fiep Westendorp of de uit Amerika afkomstige Gouden Boekjes.

Het boekenvak

Een opdracht van uitgeverij dr. W. Junk – Peter Bakker vroeg hem moderne omslagen te maken voor hun wetenschappelijke uitgaven – zette Max definitief op het spoor van boeken maken. Bij zijn eerste bezoek aan de Frankfurter Buchmesse stuitte hij in de stand van Nord-Süd Verlag op het werk van Janosch. Geweldig vond hij dat. Als dat soort dingen mogelijk was, wilde hij het zelf ook wel eens proberen. 

Nog voor hij enig initiatief had kunnen ontplooien, ontving hij een brief van Dimitri Sidjanski, oprichter, uitgever, redacteur én auteur van Nord-Süd Verlag. (Hij publiceerde er onder het pseudoniem Mischa Damjan.) Via een agent had die de Duitse vertaling van A is een Aapje onder ogen gekregen. De illustraties in dat boek vond hij zo goed dat hij een van zijn eigen verhalen door Max Velthuijs wilde laten illustreren.  

Veel bijzonders bleek Der Wolf und das Zicklein niet te zijn. Dat zou hij zelf beter kunnen, dacht Max. Toen hij de gevraagde tekeningen in Mönchaltorf bij Zürich ging bezorgen, besloot hij het toeval een handje te helpen. Quasi nonchalant schoof hij er een tekening tussen die niets met het verhaal van Sidjanski te maken had. Sidjanski hapte en wilde weten wat dat was. Max mompelde iets over een jongen en een vis en verzon min of meer ter plekke een verhaaltje. Sidjanski luisterde aandachtig en zei: maak dat maar. Zo ontstond zijn eerste eigen prentenboek, Der Junge und der Fisch (1969), een boek dat in veel opzichten het verhaal van Max zelf vertelt: ‘Er was eens een jongen. Het liefst zat hij aan de waterkant te vissen.’

Als zijn grote droom – een heel grote vis vangen – werkelijkheid wordt, blijkt de vis in gevangenschap niet te gedijen. De jongen doet alles wat hij kan om het hem naar de zin te maken. Hij vult de badkuip met water, plukt een bos bloemen voor hem en leest hem voor uit een boek vol verhalen. Maar de volgende morgen is de vis zo ziek dat de jongen hem meeneemt naar de dokter. Die verbindt hem, schrijft medicijnen voor, maar niets helpt. De vis blijft dromen van zijn vrijheid, waarop de jongen besluit hem terug te brengen naar waar hij vandaan komt. 
De tekening bij die scène is een en al geel en vrolijkheid. De poes aan wie het boek is opgedragen, kijkt van achter het raam tevreden toe.

Geld maakt niet gelukkig

Der Junge und der Fisch werd een enorm succes en dus wilde Sidjanski meteen een volgend boek van zijn nieuwe auteur/illustrator. Maar ideeën voor verhalen kwamen Max niet direct aanwaaien. Van vroeger herinnerde hij zich het verhaal van Piggelmee, de mens die uit hebzucht steeds het verkeerde wenst, een motief dat ook bij Grimm veel voorkomt. Dat idee leverde Tobias und das Schlosz der Taube op, later verschenen onder de titel Der arme Holzhacker und der Taube / De arme houthakker en de duif (1978). Hij droeg het op aan ‘alle kinderen die graag eens Koning zouden worden’. Een enigszins rommelig boek vond hij zelf. 
In zijn ogen was Der Maler und der Vogel / De schilder en de vogel (1972) veel geslaagder. Opdracht en thema hadden iets van een zelfonderzoek.

 

Ooit, op de academie in Arnhem, had hij schilder worden het hoogst bereikbare gevonden. Inmiddels wist hij dat daar weinig toekomst voor was. Die schilderijen stonden maar te staan.

Dat ervaart ook de grote kunstenaar Krokodil. Iedere dag maakte hij een schilderij. Maar er kwam nooit eens iemand naar zijn atelier om iets van hem te kopen. Van prentenboeken daarentegen konden heel veel mensen genieten. 

Erkenning in het buitenland

Aanvankelijk werkten de contacten met Nord-Süd buitengewoon stimulerend. Sidjanski was een man met visie, iemand die nieuwe talenten als Bernadette, David McKee, Josef Paleček, Fulvio Testo, Ralph Steadman, Binette Schroeder, Max Velthuijs of Štěpán Zavřel in één oogopslag herkende. Elk voorjaar verzamelde hij zijn auteurs en illustratoren op de kinderboekenbeurs in Bologna. Het liefst stopte hij zijn hele stal in een hotel even buiten Bologna en kookte hij voor zijn ‘troupe’. Tot in de vroege uurtjes hield hij ‘zijn kinderen’ bezig met eten, drinken, dansen en muziek. 
    
Maar op den duur kwamen er toch wat barstjes in de relatie met Nord-Süd. Onvrede over de honorering speelde daarbij een rol maar ook het gebrek aan vleugelslag. Dus toen uitgeverij Otto Maier met het voorstel kwam een reeks educatieve kartonnen boekjes voor hen te maken, nam Max dat aanbod met beide handen aan.  

De eerste Nederlandse uitgaven

Drie jaar na de verschijning van zijn eerste Duitstalige prentenboek was er nog altijd geen Nederlandse uitgeverij die de boeken van Max in Nederland durfde uitbrengen. Waarop Peter Bakker van Junk besloot zelf prentenboeken te gaan doen. Eerst De jongen en de vis en De schilder en de vogel van Max Velthuijs, daarna de Meneer Beer-boeken van de Japanner Kozo Kakimoto (met tekst van Chizuro Kuratomi), Grootvaders tocht door het wilde woud (met teksten van Flemming Johansen), Joachim de straatveger van David McKee en Zal ik je leren broodbakken? van Luis de Horna.   

De reacties waren uitbundig: eindelijk een staaltje van uitmuntend uitgegeven, betaalbare (f 9,50), artistieke prentenboeken die kinderen én volwassenen konden plezieren. Goed verteld en afgestemd op het eigen wereldje van de jonge lezers, met een betekenis die verder reikte dan het verhaal zelf. Prachtig van kleur én afkomstig van een Nederlandse illustrator die in het buitenland al enige bekendheid genoot.  

Het eerste Gouden Penseel

De absolute doorbraak was Het goedige monster en de rovers dat in 1977 een Gouden Penseel opleverde. De jury met onder anderen Lidia Postma, Fiel van der Veen en Truusje Vrooland-Löb was enthousiast over de vormgeving.

Die sluit aan op hoe kinderen zelf tekenen, in het platte vlak. De warm gloeiende voornamelijk primaire kleuren zijn aantrekkelijk en de aktie op de platen heeft een sterk verhalende kwaliteit. De eenvoudige tekst is in harmonie met de illustraties die de fantasie en de nieuwsgierigheid prikkelen.

.Het verhaal laat zien dat monsters en mensen wel eens compromissen moeten sluiten. Het monster verkeert in een noodsituatie, het móét eten. Maar zodra het ergens een akker kaal vreet, komen de mensen achter hem aan. De oplossing is dan dat hij een plek krijgt waar hij kan eten wat hij wil. In ruil daarvoor levert hij de energie die de mensen nodig hebben.

‘Wat ik doe, heeft niet zozeer met kinderen te maken. Ik fantaseer een verhaal, liefst met iets heroïsch er in, en probeer dan boven de beperktheid van mijn gegeven uit te komen, het betekenis te geven.’

Authenticiteit

Het begrip authenticiteit is van toepassing op vrijwel het hele oeuvre van Max Velthuijs. In veel van zijn karakters zie je de maker zelf terug. Krokodil, Olifant, Beer, Varkentje, Rat, Eend, Haas, Kikker… ze vertoeven allemaal even graag buiten in het veld, aan het water of in het bos. Het zijn allemaal einzelgängers, uitstekend in staat hun eigen leven te leiden maar ook altijd smachtend naar verbondenheid en een onderkomen waar ze zichzelf kunnen zijn. Kikker woont in een grashut, Eend in een schuur en Klein Mannetje in een schoenendoos. 

Ze hebben alles wat een mens nodig heeft: een dak boven hun hoofd, een bed om in te slapen, een lamp boven de tafel en brood om te delen. 

Een nieuw begin

Voor zichzelf had Max inmiddels de ideale woon- en werkomgeving gevonden in het atelier op Veenkade 98, een heerlijk romantisch oord. Door een poort kwam je op een pleintje vol slingerplanten en een fonteintje met linksvoor het atelier voor Dick Loef en boven-achter de zolder van Max. Daar was volop ruimte voor wat hij maar wilde: schilderen, tekenen, reclamefilmpjes maken voor de Ster, avonden doorbomen met vrienden, koken, drinken, slapen. De verstandhouding met Belleke was in de afgelopen jaren tot onder het nulpunt gedaald. En er waren genoeg plaatsvervangers. Onder andere Connie van Steenbergen, een verpleegster die hem liefderijk had verzorgd toen hij in het ziekenhuis lag. Hoewel Max volhield dat hij te oud voor haar was en hun relatie geen toekomst had, bleef zij hem trouw. Zij hield van hem zoals hij was, in alle opzichten een vaderfiguur.

Dat was hij ook voor menige student van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag waar hij sinds 1 oktober 1964 docent was. Als zoon van twee onderwijzers zat de overdracht hem in het bloed. Geheel in de geest van de tijd had Max geen vaststaand lesschema of curriculum maar liet hij zijn studenten ontdekken waar ze goed in waren.

Het mooie van lesgeven is dat je iets door kunt geven. Je kan mensen op dingen wijzen die ze zelf niet in de gaten hebben, tenminste als je contact met ze hebt. Als het niet klikt, kun je niets. Je moet uitgaan van het individu. Ik heb leerlingen altijd bewust proberen te maken van hun eigen mogelijkheden.

En dat is ook precies wat beginnende collega’s als Philip Hopman en Annemarie van Haeringen zo in hem waardeerden. ‘Max was een ideale leermeester. Hij liet je dingen zien, over de verhouding tussen voor- en achtergrond of de overbodigheid van bewegingsstreepjes. Dat zijn dingen die je nooit van iemand te horen krijgt, en al helemaal niet van collega’s.’ Annemarie is hem altijd haar boeken voor blijven leggen. ‘Zijn oordeel betekende veel voor me.’

Bijna een kwarteeuw bood de schilderszolder de veilige plek die Max nodig had om tot bloei te komen. Eerst met de Klein Mannetje-boeken en later met de figuur van Kikker. Indirecte ‘fluisteraar’ voor die successen was Charlotte van Zadelhoff, een leerlinge van de Academie met wie hij intussen was getrouwd en een kind had gekregen. 

Directe bemiddelaar was Liesbeth ten Houten van uitgeverij Leopold, die de verspreiding van zijn werk in binnen- en buitenland inmiddels ter hand had genomen. Op een van de feestjes van Leopold liepen Max en Tonke Dragt elkaar tegen het lijf. Behalve begenadigd schrijfster en tekenaar was Tonke op haar eentje beheerder van de Ambassade van het Koninkrijk der Kosmopolieten. En dat leek Max wel wat. Kon Tonke een visum voor hem maken dat hem toegang verschafte tot Luilekkerland bijvoorbeeld. Toen het beloofde visum/paspoort op zich liet wachten, schreef hij in april of mei van 1984: 

 

Aan de Secretaris(esse) (of niet soms) Generaal, 
Geachte Mevrouw. 
Daar ik niet alles weet, en dat is toch nog aardig wat, geloof ik geen woord van die z.g. vakantieplannen. Volgens door u verspreide geruchten (Leopold Party enz. 16-4-’83) zoudt u vorige week reeds afreizen. Volgens mij is het bij u een bende, ik zou die (onleesbaar gemaakt) willen zien. Ja stempels genoeg! En hoe staat het met uw paspoort? Volgens mij is het allemaal doorgestoken kaart en vriendjespolitiek en doe ik er verder maar het zwijgen toe en wacht maar af.

Dat werkte. Het op 20 juni 1984 afgegeven paspoort is beslist het fraaiste dat Tonke Dragt ooit maakte. [aantal pagina’s van het paspoort afdrukken] De verschillende om- en beschrijvingen onthullen net zoveel over Max als over Tonkes preoccupaties: 

Beroep / Profession / Occupation 
1. zonder
2. niets doen
3. zoeken naar
4. brieven
5. paperassen
6. schrijven naar Ambtenaren (meestal overspannen), documenten enz. 

Op de plaats waar gewoonlijk iemands nationaliteit wordt aangegeven, prijkt een door de wind aangevallen schuurtje. Precies zo’n schuurtje waar Max altijd van droomde.

De handtekening is een hand die recht geeft op een bezoek aan één spiegelland. De geldigheidsduur van het paspoort eindigt op ‘het gister van overmorgen’. 
Het paspoort bevatte naast een aantal fraai getekende visa voor Luilekkerland enige rijstkorrels, reisadviezen in de vorm van onderstrepingen in de tekst – vastberaden, heldhaftig, barmhartig / ik zou maar een couchette nemen, dan kun je lekker slapen / en hier is wat lekkers voor jullie –, maar ook nuttige adressen, benodigdheden voor onderweg als max-i-stappen en Haagsche Hopjes. Dit paspoort werd het begin van een even geheime als geheimzinnige correspondentie, waarin Max en Tonke elkaar voortdurend in de haren vliegen. Na enig gesteggel over staatsvijand Il Tigretto (een kennis van Tonke) die de A wilde afschaffen en een boekdrukkunst voor ogen had waarbij de letters als pasta met kaassmaak uit een tube zouden komen, benoemde Tonke hem tot ereburger van het Kosmopolitaanse Rijk. Geheel ontroerd schreef Max daarop de volgende dankbrief:

Aan de Emba/essedeur van Kosmopolitenie (leve de A!)
Excellentie (lieve mevrouw voor deze keer omdat ik ontroerd ben). Dit is een Dankbrief. Eigenlijk zou ik Denkbrief moeten schrijven, maar dit zou ogenblikkelijk verwarring stichten, dus hierbij vraag (vreeg) ik een voorlopige ontheffing voor het A/E systeem bij u aan, maar daar straks meer over.
D.1 In de eerste plaats nogmaals mijn hartelijke dank voor de prachtige panneset, waarin we reeds, ook namens mijn gezellin, menig ommeletje gebakken hebben (vraag niet hoe!) waarvan ik u graag t.z.t. (te mijner tijd) het recept aan u wil doen toekomen, mocht u daarvoor belangstelling tonen. Dank dank dank.
D.2 Maar of dit nog niet genoeg is, moet ik u ook danken (op nadrukkelijk verzoek ook namens mijn beide poezen die zelf natuurlijk weer te bedonderd zijn om een poot uit te steken) waar ben ik gebleven, oja, voor de grandioze organisatie door Uw Ambassade opgebouwd rondom mijn 61e geboortedag. Operatie Tweeling, tranen schieten mij tekort. Gelukwensen van heinde en ver! van trouwe toegewijde Kosmopolitanen. Dan gaat er wel iets door je heen, dan weet je dat je niet voor niets geleefd hebt. En als tweeling besef je dat je uitverkoren bent. We hebben daar dan samen een borrel op genomen. D A N K.
D.3 Het Ereburgerschap, opgenomen in het Adelsboek! De Kroon op het Werk! Groter vreugde had U mij niet kunnen bezorgen. Jaar na jaar is de Lintjesregen aan mij voorbijgegaan. Zeker, ik ben van nederige Afkomst, ik ben Rien Poortvliet niet, ik loop niet achter de Gouden Koets, ik schiet geen weerloze dieren neer. En toch hoop je. En verdomd, ja hoor, in één klap Ereburger… 

In de vier jaar dat de olijke correspondentie bloeide, creëerden Tonke en Max een eigen ‘Terra’ dat geregeld met een etentje bevestigd diende te worden. Jaren van betrekkelijk geluk en eindeloze mogelijkheden.

De paniek was groot toen de gemeente Den Haag begin jaren tachtig liet weten dat alle pakhuizen aan de Veenkade gesloopt zouden worden. Waar in de stad was nog ruimte voor een atelier, zijn nieuwe vrouw en zoon? Het door de gemeente aangeboden appartement aan de Westerbaenstraat was schoner en gezonder dan de Veenkade maar miste elke romantiek en was veel te klein. De huizen stonden zo dicht op elkaar dat er van privacy geen sprake was. Pas toen schuin tegenover hun huis een ruimte vrijkwam waar een nieuw atelier gerealiseerd kon worden, kwam er uitzicht op de broodnodige veiligheid en vrijheid om te werken. 

De lage langgerekte ruimte van het voormalige naaiatelier was precies goed. Het was dicht bij huis. Er was water, verwarming én een tuin waar poezen en vogels vrij spel hadden. Vanaf de altijd overvolle werktafel met ingebouwde schaakcomputer, asbakken, papier, potloden, penselen en verfbakjes keek hij uit op een ommuurde stadstuin met uitbundig bloeiende rozen en een abrikozenboom. Achter die muur klonken het kraaien van de haan en het gemekker van de geiten van de aangrenzende kinderboerderij. 
Alles wat Max dierbaar was, verhuisde naar de overkant: zijn tekenspullen, zijn oude schilderijen, posters et cetera. Op stellingen langs de muur kwamen zijn boeken, de kikkers die hij van deze en gene cadeau had gekregen, een groeiende stapel Griffels en Penselen, oude foto’s, recepten, rekeningen en al zijn archiefmateriaal. Halverwege de ruimte stond een bank voor passanten. In de hoek bij de tuindeur kwam zijn gitaar te staan, bij de entree een hometrainer, een pingpongtafel en een wasrek. En hoewel het er eindeloos netter en geordender was dan op de Veenkade, ademde ook dit atelier weldra de sfeer van iemand die de jaren zestig nooit helemaal uit zijn botten zou krijgen.