Expeditie Nooit meer slapen
‘Kompas verloren, camera kapot, overal bloedend en gekneusd, koortsig van gebrek aan slaap, geen eten. Ik weet niets meer, niet eens precies hoe laat het is.’

Hermans schetst in Nooit meer slapen geen optimistisch beeld van het streven van de mens: alle inspanningen lijken vergeefs, elke ambitie loopt uit op mislukking. Dat geldt voor het avontuur van geologiestudent Alfred Issendorf, maar de strekking van de roman is veel algemener. Tegelijkertijd biedt de volharding van Alfred Issendorf en de sardonische humor waarmee hij zichzelf herhaaldelijk beschrijft tegenwicht tegen een al te grote somberheid.

1 / 5
Ik heb tot dusver ondervonden dat op deze tocht niets voortdurend erger wordt dan het al is. Na klimmen volgt afdalen, regen houdt ook wel weer eens op, moeras wordt opgevolgd door droog terrein en zelfs de stenen waarop ik mijn enkels verzwik, zijn soms over lange afstanden afwezig. Kortom: net als altijd in het leven, een soort specifiek gemiddelde van ellende. Maar een helling zoals die waaraan wij nu zitten, is nog niet voorgekomen. (Nooit meer slapen, hoofdstuk 33)
Nu ik alleen ben, kan ik zonder schaamte mijzelf opnieuw voorhouden dat mijn gezwoeg door een verbluffende ontdekking zal worden gerechtvaardigd. (Nooit meer slapen, hoofdstuk 35)
Ik sta op, ik moet nu haast maken. Nog altijd kan ik lopen, nog altijd ben ik op de been. Al verdwaal ik, al maak ik mij belachelijk, al doe ik alles even krukkig, ondertussen doe ik het toch maar en dat is het belangrijkste. (Nooit meer slapen, hoofdstuk 38)

Ik had wel dood kunnen wezen. Maar ik ben niet dood. Ik heb het overleefd. Ik ben niet eens ernstig gewond. [/] Denkend aan mijn vader trek ik de broekspijpen over mijn pijnlijke knieën, muggen verpletterend.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 27)

Ik ga zitten, kijk naar de berg, kijk op de kaart. Misschien kan ik mij tijd besparen door niet helemaal naar de voet van de noordwestelijke helling te lopen. Het is immers zaak zo vlug mogelijk boven te komen. Daar zal ik uitzicht naar alle kanten hebben, daar zal ik Qvigstad en Mikkelsen zien, als ze nog hier in de buurt zijn.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 36)

‘Men denkt dikwijls dat de wetenschap, de exacte wetenschap, antwoord kan geven op wat wel in de wandeling de zin des levens wordt genoemd, en misschien zijn er ook veel mensen die de wetenschap met het oog daarop beoefenen, maar ik geloof dat dat een illusie is en altijd een illusie blijven zal.’

 

(Hermans in Literair Kijkschrift, 11 februari 1966 Nederland 2; NCRV)

 

Een lauwe ontvangst

Bij het verschijnen van de roman in maart 1966 liepen de reacties in de pers sterk uiteen. Hoewel er geen uitgesproken negatieve recensies waren, hadden de critici in de belangrijke dag- en weekbladen een heel verschillende waardering voor het boek. Alfred Kossman (Het Vrije Volk) was kritisch: Nooit meer slapen was ‘zonder twijfel een heel interes­sant en boeiend boek, al vrees ik dat het tegen het slot enigszins van kwaliteit vermindert.’ Ab Visser (De Telegraaf) noemde het boek een ‘avonturenroman’,  een ‘glorified jongensboek met didactische inslag’ en een  ‘veredelde padvindersroman’, maar concludeerde: ‘Ondanks mijn bezwaren is deze roman, alleen reeds om zijn tocht door Finnmark, toch wel belangrijk en boeiend.’ Met dat laatste was Adriaan van der Veen (Nieuwe Rotterdamsche Courant) het eens: ‘De situering van een ikfiguur in een vijandig vreemd landschap is Hermans nooit beter gelukt.’ 

‘Is dit nog fictie?’

In een bespreking in De Groene Amsterdammer had C.J. Kelk veel lof voor de roman, al vroeg hij zich ook af of zoveel psychologisch zelfonderzoek nog wel fictie genoemd kon worden: ‘De deskundige Hermans schrijft het uitvoerige verslag van een onderzoek in het noorden van Noorwegen, [...] maar in dit verslag van reis, aankomst, oponthoud, ontmoeting, verwachting, teleurstelling, inspanning, slapeloosheid, verwonding, mislukking en uitputting heeft hij tegelijk steen voor steen, kloof voor kloof zijn eigen persoon in beeld gebracht. Is dit nog fictie?’ Kelk voelt zich als lezer gedwongen ‘om de ik-persoon misschien sterker met de auteur te vereenzelvigen dan geoorloofd is in een roman’. 

 

‘Vervelende betweterij’

Er was bovendien kritiek op de structuur van Nooit meer slapen. Zo vond Anton Deering (Algemeen Handelsblad) dat Hermans zich te vaak liet gaan ‘in theoretiseren en filosoferen zonder dat er aanwijsbare noodzaak voor die uitweidingen is.’ Daar stond dan wel ‘de prachtige beschrijving van de moeizame expeditie’ tegenover, maar volgens Deering was Nooit meer slapen toch teleurstellend: ‘de spanning van de eigenlijke geschiedenis wordt storend verbroken door de bladzijden vervelende betweterij’.

 

990 (27) Palsen G

‘naarmate men vordert in het boek, gaat men steeds beter zien dat ’t zinloos avontuur van Issendorf symbolisch is, dat het [...] staat voor het menselijk leven in het algemeen.’ 

 

(Jos Panhuijsen, Het Binnenhof)

Genre?

En tot welk genre behoorde Nooit meer slapen eigenlijk? Recensenten worstelden niet alleen met de vraag wat in deze roman fictie was en wat werkelijkheid. ‘[D]e ideeënroman, die het boek is, detoneert met de psychologische roman, die het boek ook is’, vond Kees Fens (De Tijd). Moest Nooit meer slapen gelezen worden als een psychologische roman, als ideeënroman of als filosofische roman?

‘Voortreffelijk geschreven’

Tegenover een aantal soms gereserveerde recensies stonden ook zeer enthousiaste. ‘Willem Frederik Hermans behoort [...] tot die drie of vier Nederlandse schrijvers, die een roman kunnen schrijven waarbij de lezer geen ogenblik kán denken dat het verhaal ánders gebeurd had kunnen zijn dan Hermans het vertelt,’ schrijft Hans Berghuis in de Volkskrant. Hij beschouwt Nooit meer slapen als ‘het verhaal van het wakker worden uit menselijke (wens­)dromen’. Adriaan Morriën (Het Parool) vond ‘[a]lles wat in de roman “toeristisch” is […] voortreffelijk geschreven in een glasheldere stijl die tot het beste behoort wat Hermans heeft gepubliceerd en van een eigen schoonheid waardoor het Noorse landschap [...] uniek en onvergetelijk wordt’. 

Bekijk de brief
2
pagina's

‘De meeste critici zijn van mening dat het over een mislukte student gaat. M.a.w. het échec is in hun ogen te wijten aan die speciale student [...]. Ze zien niet dat Alfred’s ervaringen symbolisch zijn voor alle wetenschapsbeoefening, althans de meeste wetenschapsbeoefening, ook zulke wetenschapsbeoefening.’

(Hermans aan Erik Schwimmer, 22 maart 1967)

‘Fundamenteel anti-artistiek’

Hermans stoorde zich aan de kritieken. Kort na het verschijnen van de roman luchtte hij zijn hart in enkele interviews. Steeds benadrukte hij het verschil tussen fictie en werkelijkheid. Een sleutelroman, waarbij personages historische personen representeren, was Nooit meer slapen al helemaal niet.

 

 

1052 (16) Bootje

‘Een zaak die mij mateloos ergert, is dat de Nederlandse literatuurbeschouwing bij uitstek antiliterair is, fundamenteel anti-artistiek. Ze vinden hier een boek pas belangrijk als het op de auteur persoonlijk betrekking heeft, als hij het zelf allemaal heeft meegemaakt. Maar de relatie boek auteur is in feite een secundair belang. Een roman of een toneelstuk dient als een wereld apart te worden beschouwd. [...] Nooit meer slapen zie ik niet als een soort journalistiek verslag van wat er allemaal is gebeurd, maar als een aparte wereld, een wereld op zichzelf, waarin alleen géén dingen voorkomen, die niet zouden kúnnen voorkomen.’

 

(Willem Frederik Hermans in Het Vaderland, 7 mei 1966)

 

 

Aforismen

Nooit meer slapen is geschreven in een ijskoude, af en toe uitgebeende, maar steeds kraakheldere taal. Geen enkele roman van Hermans bevat zoveel citeerbare zinnen als Nooit meer slapen. Hermans had een voorliefde voor puntige formuleringen, en bundelde een aantal daarvan in 1987 zelfs in een klein boekje vol aforismen: Dinky Toys. Dat boekje besloot met Hermans’ eigenzinnige definitie ervan: ‘Een aforisme is zoiets als het muziekstukje van een muzikale clown, dat na een paar maten al verstomt.’ Maar de zinnen in Nooit meer slapen zijn altijd onderdeel van het doorgecomponeerde geheel. Afhankelijk van de manier waarop de lezer ze interpreteert, lichten nieuwe betekenislagen in de roman op. Dat kan een reden zijn voor de grote hoeveelheid uiteenlopende visies op het boek.

1 / 5

Wie durft vertrouwen dat het op een wereld waar al zoveel offers totaal voor niets gebracht zijn, mogelijk is ook maar een enkel offer te brengen dat zin heeft?

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 24)

Wat is wetenschap? Wetenschap is de titanische poging van het menselijk intellect zich uit zijn kosmische isolement te verlossen door te begrijpen!

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 21)

Overal waar de aardbewoner komt, heeft hij het al moeilijk en hij hoeft maar naar het uiterste noorden, het uiterste zuiden te gaan, hij hoeft maar op een berg te klimmen en hij bereikt het einde van zijn mogelijkheden.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 36)

Niemand kan met zijn leven experimenteren. Niemand hoeft zich te verwijten dat hij in den blinde leeft.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 47)

Maximale resultaten worden niet noodzakelijk alleen door maximale inspanning bereikt, maar door iemand die zich maximaal inspant op een terrein waar hij toch al maximaal in het voordeel was.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 32)

Steeds nieuwe interpretaties

Tot op de dag van vandaag worden nieuwe artikelen en boeken met interpretaties van de roman gepubliceerd. Nooit meer slapen geldt als een roman waarin de eenzaamheid van de mens en zijn vergeefse ambities tot uitdrukking worden gebracht. Maar ook als een boek over het falen van de wetenschap, of – in nog breder perspectief – het vergeefs zoeken naar zingeving: een tot mislukken gedoemde poging de ‘steen der wijzen’ te vinden. Andere lezingen van de roman stellen de (mislukte) ambitie om de vader (Alfreds vader, maar ook Arne) te overwinnen centraal, of leggen het accent juist op het niet kunnen ontkomen aan dwingende familiebanden (vader, moeder en zus).

1 / 5

Ik wil geen stenen vinden die een ander al in een doosje gedaan heeft. Nog sterker: ik wil geen stenen vinden die al eerder op aarde zijn geweest. Ik zou het liefst een meteoriet vinden, een brok afkomstig uit de kosmos en ik zou willen dat het uit een materiaal bestond, dat op aarde nog nooit was aangetroffen. De steen der wijzen, of minstens een mineraal dat naar mij zou worden genoemd: Issendorfiet.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 8)

Ik weet dat ik niets anders ben dan een bepaalde chemische evenwichtstoestand, strikt beperkt tot nauw om­schreven, onomstotelijke limieten. In mijn verbeelding zie ik de wereld voor mij als een globe. De bol is omhuld door een dunne schil, waarbinnen ik bestaan kan, verder nergens. De schil wordt naar de polen toe voortdurend dunner...

Jezus had gemakkelijk praten. Die wist niet beter of de hele wereld was met vijgebomen begroeid.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 36)

De val die ik heb gemaakt, is een repliek van de fatale val die mijn vader maakte. Dezelfde kwade geest die hem in de afgrond geworpen heeft, heeft mij voortgestuwd naar soortgelijke avonturen als de zijne, om mij een soortgelijke dood te doen sterven.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 27)

Een aanvaller die mij achternageslopen is, valt mij in de rug en legt zijn hand op mijn mond. Vader! roep ik en word wakker van angst. [/] Het is afschuwelijk uit een droom in daglicht te ontwaken. Hoe is het mogelijk dat ik om mijn vader geroepen heb, ik die al achttien jaar geen vader meer bezit, een vader die al zo lang dood is, dat ik mij zelfs niet herinneren kan ooit om hem geroepen te hebben?

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 40)

Niet zelden denk ik aan de mogelijkheid dat de mensen er wat hun rang in de schepping betreft, totaal verkeerde denkbeelden op na houden. Staat er niet geschreven: de eer­sten zullen de laatsten zijn? Mogelijk worden we in het hier­namaals ontvangen door een leger van muggen die daar de functie van minister uitoefenen. En op een hoge troon zit, scepter in de hand, het mond‑en klauwzeervirus dat de baas over alles blijkt te zijn.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 25)

1073 (37) Doorwaden rivier

Moedwil en misverstand

Daarnaast laat Nooit meer slapen zich lezen als een onbarmhartige opsomming van ‘moedwil en misverstand’, al in 1948 de titel van een verhalenbundel van Hermans: de struikel- en valpartijen in het onherbergzame landschap, waarin het bovendien wemelt van de muggen, Alfreds achterdocht en tekortschieten ten opzichte van zijn expeditiegenoten, de desoriëntatie waaraan hij in toenemende mate ten prooi valt en het wrede lot dat Arne treft, het is allemaal een perfecte illustratie van het Hermansiaanse wereldbeeld waarin de mens ronddoolt als ‘eeuwig bedrogene van het universum’.

1 / 5

Ik besef plotseling dat ik in een voortdurende vrees leef te moeten bestaan in een maatschappij waar iedereen iedereen voor de gek houdt.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 13)

Een scherpe steek doet mijn linkerooglid trillen. Ik veeg erover en op de top van mijn vinger zitten de natte rafels van een verpletterde mug. Mijn hoofd is door muggen omzwermd. Muggen gaan op mijn voorhoofd zitten, op mijn neus, op de ruggen van mijn handen. Ik moet mijn koffer en mijn rugzak aanpakken en kan de muggen niet verjagen.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 13)

Of ze ons hier nog niet genoeg straffen. Wat een schep­ping die erop ingericht is dat miljarden wezens er alleen in leven kunnen blijven door andere wezens bloed uit te zuigen. Ik heb dorst.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 25)

Raadselachtige geulen verdelen de helling in horizonta­le terrassen. Eenmaal heeft het ijs tot die hoogte gereikt en de geulen uitgeschuurd. Zo is een amfitheater ontstaan voor reuzen met onderbenen van vijftig meter lang. Maar als ik de hoogste galerij bereikt heb, ben ik nog een heel eind van de top vandaan. Bergen worden altijd hoger, zodra je ze gaat beklimmen.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 36)

Kompas verloren, camera kapot, overal bloedend en ge­kneusd, koortsig van gebrek aan slaap, geen eten. Ik weet niets meer, niet eens precies hoe laat het is.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 36)

Echo’s van andere teksten

Nooit meer slapen mag dan de eenvoudige structuur hebben van het achteraf geschreven reisverslag, intussen bevat de roman talloze echo’s van andere teksten. Zelf omschreef Hermans de roman als ‘een soort Pilgrim’s Progress’. Daarnaast bevat Nooit meer slapen meer of minder expliciete verwijzingen, onder andere naar Vergilius’ Aeneis, naar de mythologische verhalen uit de Edda, naar sprookjes (de naar stenen zoekende Klein Duimpje) en tekenfilms (The Flintstones), en naar Henrik Ibsens Peer Gynt. En naar het taalfilosofische werk van Ludwig Wittgenstein.

1 / 5

Als zij eens Dido heette. Hoe kom ik aan die naam? Dido, koningin van Carthago, werd verliefd op Aeneas, de held die vluchtte met zijn vader op zijn rug. Zwaarder nog dan mijn rugzak.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 20)

Grote druppels, te weten hagelstenen op het laatste nippertje nog gesmolten, vallen op het plastic van mijn regenjas en verenigen zich tot stromen die langs mijn broekspijpen in mijn schoenen lopen. Nu ligt het papiertje dat ik op de grote steen achtergelaten heb te verregenen, op te lossen, in het niets te verdwijnen.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 36)

Wittgenstein heeft gezegd: de feiten horen alle alleen maar tot de opgave, niet tot de oplossing. Het mystieke is niet hoe de wereld is, maar dat zij is.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 34)

– Wilma! Wilma! Open this door!
Hij bonst met voeten en vuisten op de deur, laat er dan opnieuw zijn lichaam tegenaan vallen.
Fred Flintstone!
Het gebeurt ook precies als in de tekenfilm: de deur buigt door in het midden, er komen grote kieren langs, daarna springt hij met een klap weer terug in de deurpost.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 45)

Zijn dichte stoppelbaard suggereert tegelijkertijd ouderdom, verval en verwaarlozing. Hij ziet eruit als een verkankerde reus, een zwakzinnige troll en het gesnurk dat hij uitstoot lijkt de enige taal te zijn die hij beheerst.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 32)

Moord?

Een vraag die ook gesteld kan worden: hoe betrouwbaar is het verhaal dat Alfred Issendorf ons voorschotelt? Klopt zijn weergave van de feiten wel? En als die niet klopt, wat is er dan gebeurd tussen de reisgenoten Alfred en Arne? Hoe agressief is Alfred eigenlijk? Was de val van Arne wel een ongeluk, of was er misschien sprake van… moord?

1 / 5

Inmiddels is het uren later geworden, want de zon staat in het zuiden. Ik moet werkelijk hebben geslapen. Ik zou wel blijven slapen als ik geen honger had. Mijn hand kruipt onder mijn hemd en verplettert vliegen op mijn blote vel. De hand komt terug met vers bloed aan de vingertoppen.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 37)

Maar mijn ogen staan wijder open dan ooit, mijn oren gloeien, mijn hoofd suist, ik ben zo moe als ik mij nu al niet meer kan voorstellen dat ik ooit nog eens zijn zal, maar ik voel geen spoor van slaap. Geen mens weet waartoe hij in staat is, voor hij alles geprobeerd heeft.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 30)

Maar uitgehongerde Alfred, amateur-poelier, draait hem de nek om. Voor het eerst van zijn leven doodt hij een zo hoogstaand beest als een eend. Twee, drie maal draait hij de kop in de rondte, als de sleutel van een uurwerk. Plukt de veren van het lichaampje, snijdt het open. Vuilgele, lever­bruine en rode ingewanden puilen naar buiten. Bijna niets in de natuur is rood, behalve bloed en ingewanden.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 37)

De bus rijdt verder, stopt nog een tijd in Russenes, rijdt dan weer verder.

Om half elf stappen Arne en ik voorgoed uit in Skoganvarre.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 14)

Op de rechterbladzijde van het boek maakt Arne de tekening, op de linkerbladzijde staan notities. [...] Aantekeningen die niet onmiddellijk hun waarde verliezen als ze niet teruggelezen kunnen worden door degene die ze gemaakt heeft.. Aantekeningen die nog waarde hebben als Arne het boek verliezen mocht en het vijftig jaar later teruggevonden zou worden, of als hij plotseling mocht doodgaan.

(Nooit meer slapen, hoofdstuk 29)

In de hecht gecomponeerde roman vervlecht Hermans een groot aantal thema’s en motieven. Ook na de verschijning van de eerste druk blijft Hermans de roman herzien en perfectioneren. De herzieningen van opeenvolgende versies van Nooit meer slapen vormen een verhaal op zich.