Herman de Man

Polderland

‘Omdat ik hartgrondig mijn polderland liefheb’

(1925-1927)

De afwijzing van de Wereldbibliotheek die De Man kreeg op zijn plannen voor zijn propagandatocht door de polder, kon hij niet zomaar laten passeren. Tegelijkertijd was hem er veel aan gelegen om de banden met de uitgeverij te herstellen: alle publicatiemogelijkheden voor zijn werk moest hij benutten.

Niet lang na de afwijzing van het propagandaplan stuurt hij de Wereldbibliotheek in eerste instantie een felle brief, die van de zijde van de uitgeverij onbeantwoord blijft. Daarna vindt al snel weer een meer zakelijke correspondentie plaats over een geplande bijdrage van De Man aan het Winterboek van de Wereldbibliotheek, een geïllustreerd jaarboek met literaire en meer algemeen culturele bijdragen dat vanaf 1922 tot 1939 als jaarboek van de uitgeverij verscheen.

Verontschuldigingen van de Wereldbibliotheek

Op 26 maart 1925 schrijft De Man, die in deze tijd zijn handen vol heeft aan het afronden van Het wassende water, een kort briefje aan de Wereldbibliotheek waarin hij vraagt of hij zijn verhaal voor het Winterboek iets later dan afgesproken, omstreeks 10 april, kan inleveren: ‘Het is niet zoo gemakkelijk gegaan als ik dacht en andere werkzaamheden hielden mij zeer op.’ De dag erna volgt het antwoord van Van Suchtelen, niet alleen op De Mans concrete vraag, maar ook, verlaat, op de tot dan toe onbeantwoorde boze brief van De Man:

Op uw laatsten bozen brief aan my persoonlyk heb ik tot dusver niet geantwoord omdat ik eerst eenige informaties moest nemen om mij te vergewissen of ik u werkelyk onrecht had aangedaan. Het is my nu inmiddels gebleken dat verschil[l]ende feiten die de onmiddellyke aanleiding waren tot de voor u grievende passage van ouderen datum waren dan ik dacht en ik bied u daarom myn verontschuldiging aan. Ik schreef die passage overigens niet om u eens extra te grieven, maar juist in een behoefte om oprecht tegenover u te zyn. Misschien hebt u dat achteraf intusschen ook al ingezien. Ik hoop dat het u thans goed gaat.

‘Hollandsche Tafereelen’

De Man moet de excuses van de uitgeverij met graagte hebben aanvaard, en ziet direct nieuwe kansen voor publicaties. Op 24 mei 1925 polst hij de Wereldbibliotheek met een voorstel om een verzameling schetsen onder de titel ‘Hollandsche tafereelen’ uit te geven – waarvan er tot op dat moment één in de Nieuwe Rotterdamsche Courant is verschenen – maar andere bijdragen, zo verzekert De Man, zullen spoedig volgen. De ‘Hollandsche Tafereelen’ moeten het oude genre van de landschapsbeschrijvingen van nieuw elan voorzien en dat is volgens De Man hard nodig.

Hij spiegelt zich aan het werk van Jacobus Craandijk (1834-1912), die tussen 1875 en 1888 een buitengewoon succesrijke, achtdelige serie Wandelingen door Nederland met pen en potlood publiceerde, maar die zijn volgens De Man nu verouderd en bovendien ‘zeer vlak en ontroeringloos geschreven’. Desondanks zijn ze verre te prefereren boven wat tegenwoordig voor landschapsbeschrijving doorgaat:

Wij hebben in Holland thans geen eigen landbeschrijving meer. De Ven is fölkloristisch maniak, Hymans en Thijsse zijn blommetjes- en kevers-maniakken. Loosjes is kasteelen- en ridderhofstedenmaniak. Het land om het land, wordt niet meer gebeeld. Soms nog wel eens, in verband met een kamptocht, maar dan weer subjectief vermengd met sportieve indrukken, Kleefstra, Van Suchtelen.

Een ‘correctief op de onhollandschen geest in dezen tijd’

Zoals wel vaker maakt De Man in enkele zinnen korte metten met een heel genre en een hele generatie schrijvers. In dit geval in de eerste plaats met de in zijn tijd mateloos populaire onderwijzer en natuurbeschermer Jac. P. Thijsse (1865-1945), die aan de wieg stond van de Vereniging van Natuurmonumenten en grote bekendheid verwierf met de vanaf 1903 verschenen ‘Verkade-albums’, de door de koekfabrikant Verkade uitgegeven plaatjesboeken, waarbij Thijssen voor een groot aantal delen de teksten schreef. Buiten deze commerciële uitgaven publiceerde Thijsse zeer veel boeken over flora en fauna, deels samen met de bevriende bioloog Eli Heimans.

Maar niet alleen Thijsse en Heimans moesten het ontgelden. Adriaan Loosjes jr. (1883-1949) was onder andere coauteur van het driedelige Kasteelen, buitenplaatsen, tuinen en parken van Nederland (1912-1923). Dirk Jan van der Ven (1891-1973) was vooral bekend van zijn Neerlands volksleven (1920) én als scenarist van folkloristische Nederlandse films als Neerlands Volksleven in de Lente (1921) en Neerlands Volksleven in de Zomer (1923). J. Kleefstra (1860-1929) schreef onder meer Avonturen te land en water (1925) en Een vacantie op de Friesche wateren (1910), dat ook werd opgenomen in de reeks ‘Van reizen trekken’ van de Wereldbibliotheek. Van Suchtelen had in 1918 Zwerftochten met de tent door Nederland gepubliceerd, door Van Suchtelen-biograaf Esther Blom getypeerd als ‘een voorbeeld van pioniersarbeid op het gebied van kamperen’.

De Man stelde daar zijn eigen geheel eigen opvattingen en zijn favoriete topografisch werkterrein tegenover:

Ik voel zoo fel, dat het in ons land noodig is, dat het rivierengebied eens, liefderijk beschreven, bekend wordt gemaakt. Mijn schetsen gaan van Utrecht over Woerden Bodegraven Gouda, Nieuwerkerk naar Alblasserdam, Meerkerk, Gorinchem, Hagesteyn, Kuilenburg, Houten, naar Utrecht. De opgenomen plaatsen vormen een denkbeeldige grens van het te beschrijven gebied. De schetsen volgen elkander, zooveel mogelijk, op en behandelen wandelingen én bedrijven. Van beide soorten sluit ik een exemplaar in, om U met het soort bekend te maken.

“‘Een trouwdag is een ding van God.”’ (De roep der velden, 1927)
De Man ziet een dergelijk werk, dat hij wil illustreren met (door een niet bij naam genoemde vriend gemaakte) foto’s en tekeningen, als een hoger doel, ‘als correctief op de onhollandschen geest in dezen tijd onder kunstenaars en volk’. De uitbeelding van het typische Hollandsche landschap wordt naar De Mans overtuiging volkomen ten onrechte geminacht: ‘Holland is wel degelijk het allerschoonste land van Europa, maar onze auteurs gaan in Italië wonen of leenen enthousiasme uit Frankrijk, de doerakken.’ Hij vraagt de uitgeverij snel met hun reactie te komen, en wil bij een eventuele weigering het idee elders onderbrengen’ zodat ‘het eerste boekje reeds voorjaar ’26’ kan verschijnen. Van Suchtelen toont zich in een reactie eind mei welwillend. Wel moet hij eerst nog overleggen met de op dat moment in het buitenland verblijvende Leo Simons.

‘Ik wilde dat U mij nu eens tot Uw uitgaven toe liet’

Nadat De Man medio juli nog eens aan zijn plan herinnert, vertelt Van Suchtelen dat ook Simons enthousiast is, maar een beslissing kan pas worden genomen als ‘wy den geheelen bundel onder de oogen hebben gehad’. De Wereldbibliotheek stelt voor de bundel in 1927 te publiceren. Pas op 6 augustus reageert De Man, die inmiddels verhuisd is naar Vianen.

Hij heeft er alle vertrouwen in dat de publicatie er kan komen, en wil ook wel wachten tot 1927, al zegt hij voor januari 1926 al de eerste bundel met schetsen toe. Daar wil hij dan ook al wel gedeeltelijke vooruitbetaling voor ontvangen, om daarmee tegelijkertijd definitief tot auteur van de Wereldbibliotheek te behoren:

Ik ga accoord met Uw voorstel, om met de publicatie (althans bij aanvaarding) tot den jaargang 1927 te wachten. Maar dan zou m.i. een regeling 25 tot 30 % van het honorarium na aanvaarding der compleet persklaar ingeleverde copy billijk zijn; voorts 20 % na de correcties en het restant (de helft) bij de verschijning. Ik wilde dat U mij nu eens tot Uw uitgaven toe liet. Als Hollandsch schrijver tusschen een kakelbende half-exotische volgers aller nationale literaturen zou ik toch wel bij U thuis hooren.

De Man zou vanaf juli 1926 tot maart 1927 elf afleveringen van de ‘Hollandsche tafeerelen’ in De Groene Amsterdammer publiceren, deels als feuilletonbijdragen: ‘Langs Graafstroom en Alblas’ verscheen in augustus en september als driedelige reeks, ‘In het land van de witte lotus’ werd vanaf december 1926 tot maart 1927 over vier afleveringen verspreid. Tot een boekuitgave bij de Wereldbibliotheek komt het niet. Plannen om een vergelijkbare uitgave bij Nijgh en Van Ditmar te realiseren, lopen ook op niets uit.

‘Hét jaar van het landschap van De Man’

Los van de reeks ‘Hollandsche tafereelen’ publiceert De Man rond deze tijd veel meer artikelen over het polderland, zodanig dat zijn biograaf het jaar 1926 als ‘hét jaar van het landschap van De Man’ bestempelt. Zo bemoeit hij zich intensief met een debat over nut en noodzaak van de aloude poldermolens, die door de opkomende mechanische polderbemaling achterhaald zijn, maar door velen juist worden gewaardeerd vanwege hun vermeende esthetische functie in het landschap. Tegen dat beeld verzet De Man zich fel: voor hem vormen de molens juist een aantasting van de essentiële schoonheid van de polder.

‘Twee vertegenwoordigers van een uitstervend ras.’ (De roep der velden, 1927)
Op 10 maart 1926 benadert De Man de Wereldbibliotheek met weer een nieuw plan. Dit keer gaat het om een boekje over de waterschappen, die in Het wassende water zo’n grote rol spelen: het waterschap is niet alleen wezenlijk in de opeenvolging van gebeurtenissen die bepalend zijn voor het verloop van de roman, maar De Man beschrijft die gebeurtenissen ook met gebruikmaking van veel vaktechnische termen. Die in Het wassende water nauwgezet beschreven wereld van het waterschap komt voort uit gedetailleerde research die De Man voor zijn boek heeft uitgevoerd, onderzoek dat hij inmiddels te gelde heeft gemaakt. Direct volgend op de watersnood publiceerde hij vanaf 10 januari als ‘bijzonderen medewerker’ van De Maasbode zijn eerdere onderzoek in een zestal artikelen met de ondertitel ‘Dijkbeheer en noodtoestand op onze dijken’.

Als vrucht van deze studie heb ik een serie artikelen geplaatst in ‘de Maasbode’, waarvan ik watersnoodcorrespondent was bij dit laatste hoogwater. Deze artikelen waren getiteld: ‘Nu de wateren afnemen’. Ze gingen regelrecht tegen de toen zich vormende publieke meening in, dat de gepasseerde watersnood een sein was, dat het uit moest zijn met onze, door de historie gevormde semi-officieel dijkbeheer. Later werd mijn meening door mannen van gezag o.a. Dr. A.A. Beekman en Ir. Lely beäamd.

Deze artikelen vormden een populaire uiteenzetting van het dijk- en waterschapswezen, van hoogwater, dijknood, dijkbreuk, overlaten, noodinundaties; van de typische gebruiken in de Waterschapsbesturen, de romantiek die rond het waterschapswezen waart en van de typische woorden en zegswijzen uit dit wereldje.

‘Het temmen van den Waterwolf’

In uitgebreide vorm heeft De Man die stukken onder de titel ‘Het temmen van den Waterwolf’ ook weten te publiceren in het tijdschrift De R.K. Boerenstand, volgens de ondertitel het ‘officieel orgaan van den Nederlandsche Boerenbond Vereeniging der R.K. boeren en tuinders in Nederland’. Nu wil hij die nogmaals perfectioneren en met toegevoegd hoofdstuk uitgeven als ‘Handboekje’ over het Nederlandse polderland en de werking van de waterschap.

‘Beton, goed aangewend, stoort het landsbeeld niet.’ (De roep der velden, 1927)
‘Het temmen van de waterwolf’ moet een toegankelijk alternatief zijn voor het overzichtswerk Nederland als polderland (1884) van de geograaf Anton Albert Beekman (1854-1947), waarvan in 1915 een tweede druk was verschenen. Beekman wilde met zijn boek de kennis van Nederland als polderland buiten een kring van specialisten bevorderen, en meende dat dertig jaar na dato zijn van iets meer historische context voorziene herdruk nog steeds in die behoefde kon voorzien. Desondanks, zo stelde De Man, was Beekmans boek ‘duur, droog en dik, en men moet eenigzins in de materie onderlegd zijn, om het te kunnen verstaan’.

 

 

In een antwoordbriefje meldt de uitgeverij eerst iets te moeten lezen voordat er een oordeel geveld kan worden, waarop De Man direct zeven al gepubliceerde artikelen toestuurt. Tien dagen later ontvangt De Man opnieuw een in verhulde termen gesteld, maar desalniettemin duidelijk afwijzend antwoord:

Wy hebben uw artikelen ingezien. Zy zyn in hun soort uitmuntend maar wy gelooven toch niet dat het publiek buiten de belanghebbenden er zich erg voor interesseeren zal. Een uitgaaf echter alleen voor die [belang]hebbenden is voor ons niet doenlyk, wy kunnen ze te moeilyk bereiken. U zult beter doen ze aan te bieden aan een uitgever die meer lectuur voor den boerenstand uitgeeft.

Een laatste plan bij de Wereldbibliotheek

Voorjaar 1927. De Man doet een laatste poging om werk bij de Wereldbibliotheek gepubliceerd te krijgen. Deze keer is zijn ambitie nog groter en heeft hij erkende landschapsspecialisten ingeschakeld om zijn doel te bereiken. Samen met de letterkundige P.H. Ritter jr. (1882-1962), wiens Zeeuwsche mijmeringen (1919) en Het land van wind en water (1921) De Man in zijn brief noemt, de Limburgse schrijver en dichter Felix Rutten (1882-1971), verantwoordelijk voor het deel Limburg (1918) in de meerdelige reeks Ons mooie Nederland, en de publicist R.J. de Stoppelaar (1873-1948), bekend van talrijke titels over natuur en landschap, waaronder Zon op de golven (1926) en Door zon en wind (1924), heeft hij zich voorgenomen om een vierdelig standaardwerk (van ca. 350 pagina’s per deel) te gaan schrijven.

 

Het boek met de titel ‘Hollands Groot Waterboek’ zal een uitvoerige inventarisatie bieden van de rijkdom en diversiteit van ‘de Hollandsche waterwegen, nl. de rivieren, binnenwateren, zwetten, zwinnen, poelen, moerassen, meren, zeekeeten, boezems, weteringen, beken, kreeken en wat voorts aan water tevoorschijn zal komen.’ Elk van de beoogde auteurs beschrijft een specifiek onderdeel van het Nederlands waterwezen, het geheel vormt een ‘lyrische waterkaart van Holland’. De Man, die in zijn brief refereert aan zijn kort daarvoor verschenen reclameboekje Hollanders komt naar het water (1926) zal schrijven over zijn geliefde polder- en rivierengebied. Het boek zal rijkelijk geïllustreerd zijn, met houtsneden van Dirk Nijland (1881-1951), die ook voor het reclameboekje al illustraties had verzorgd. Voor de uitgave is een uitgekiende illustratiecampagne voorzien, en een gecomprimeerde Engelstalige uitgave in één band moet in Engeland en Amerika op de markt worden gebracht. Mede namens de coauteurs correspondeert De Man in de maanden april en mei 1927 met de Wereldbibliotheek over opzet, uitwerking en financiële onderbouwing van het plan, maar tot overeenstemming komen zij niet. Ook deze uitgave verschijnt niet.

‘De kronieker van eigen tijd en volk’

Waar het eigen initiatief tot uitgaven over zijn geliefde polderlandschap en rivierengebied steeds mislukt, mag De Man wel meewerken aan projecten van anderen. Naar een idee van schrijver en bioloog Rinke Tolman (1891-1983) komt de Larense uitgever A.G. Schoonderbeek eind 1927 met De roep der velden. Zwerftochten naar de bronnen van vreugde en schoonheid, een kloek boek van ruim driehonderd pagina’s, waaraan veertien auteurs bijdragen, onder wie Jac P. Thijsse en R.J. de Stoppelaar. Alle auteurs, van wie in de meeste gevallen meer dan één stuk wordt opgenomen, leveren ook een inleidende autobiografische tekst.

Ook De Man levert een ‘poging tot levensschets’, vanwege zijn dan nog vrij recente bekering tot het Rooms-Katholicisme sterk religieus getoonzet, waarin hij zich als ‘kronieker van tijd en volk’ introduceert, die ‘een werkelijk zielsbeeld van den Utrechtsen boer’ kan geven. Hij zet zich nogmaals af tegen de beschrijvingen van de natuurhistoricus: ‘de historie van de menschenziel is hem te groot, zijn knibbelblik zoekt slootkantjes af’. De passie van De Man is van geheel andere orde:

Omdat ik hartgrondig mijn polderland liefheb, met alle goede en kwade lieden incluis, met alle kinderen en oudjes, met bultenaren en sjappen en zotten en krommen, met alle teere meidjes en alle bloederige bezweete knorsen, daarom heb ik een afkeer van de heide, van de bosschen en bergen.

Zijn eigenlijke bijdrage is een uitgebreide versie van de langste van de ‘Hollandsche Tafereelen’, dat eerder dat jaar onder de titel ‘In het land van de witte lotus’ in De Groene Amsterdammer verscheen. De in De roep der velden als ‘De binnenlanden van Holland’ gepubliceerde tekst is een lyrisch verslag van een door zonnehitte geteisterde wandelzwerftocht door de polders van de Alblasserwaard, die vanuit Gorcum naar plaatsjes als Schelluinen, Giessendam, Oudekerk, ’t Pinkeveer, Peursum, Den Dool en Meerkerk voert. De Man schrijft zijn stuk in het volle besef dat de moderniteit in deze streken inmiddels onherroepelijk zijn intrede heeft gedaan. Aan het slot van zijn stuk, dat nog ontbreekt in de eerder gepubliceerde versie, schrijft De Man de autobus als symbool voor die moderniteit in het landschap in:

Daar, in deze lage boomlooze landen hoort de autobus waarlijk, zij is reeds ingelijfd in de orde aller dingen. Wie ooit een autobus van verre heeft zien naderen over de vlakke landen, in een Novemberavond, zich vurig borend door de beklemmende watersluiers, wie over dat weerloos land heeft zien schuiven, kruipen en cirkelen de angstaanjagende lichtbundels, die als een gigantischen, zwaveligen oerdieradem over de nevelbank van de aarde zweeft en wringt… hij heeft om dit waarlijk imponeerend verschijnsel vrede met de autobus, ook in ons polderland. Ondanks benzinestank, modderspatten en claxon-scheuren door de eerbied-afdwingende nachtstilte. En ondanks beverige Heemschutters, conservateurs, verleden-tijd-adorateurs en diergelijke bloedeloozen.