1954

Zelfportret als legkaart

In haar autobiografische boek Zelfportret als legkaart (1954) zou Haasse uitvoerig haar eerste negentien levensjaren op Java beschrijven. Het leven van een Nederlands meisje dat tussen de Javanen leefde, maar niet mét hen:

Wij leefden thuis niet Indisch, ons huis had er, wat keuze en rangschikking van de meubels betreft, precies zo uitgezien, wanneer wij ergens anders, in Holland of waar ook ter wereld ook, gewoond hadden, het droeg meer het stempel van de smaak van mijn ouders dan van de omgeving. Wij aten zes dagen van de week Hollands eten, en alleen op zondag of bij de een of andere speciale gelegenheid rijsttafel of nasi goreng. Mijn ouders (…) werden nooit één met het land.

De toekomst van de kinderen ligt in Nederland, daar is de opvoeding op gericht: ‘Door de leefwijze en de sfeer thuis kregen wij weinig kansen te “verindischen”.’

Hella is op school geen bijzonder ijverige leerling, maar ze leest wel veel, vooral de historische romans uit de boekenkast van haar vader. Het Literatuurmuseum herbergt vele schoolschriftjes waarin ‘Hellie’, een jaar of negen, keurige opstellen schrijft over historische gebeurtenissen.

Maar ze is ook een echt ‘buitenkind’. Na school gaan de kinderen naar het zwembad, de enige plek waar het is uit te houden in de hitte. Ook speelt Hella toneelstukjes met kinderen uit haar buurt, waarbij ze zelf graag het verhaal bedenkt, de kostuums erbij zoekt en de regie voert.

In de weekends en vakanties trekt het gezin eropuit, meestal naar het strand bij de haven van Tandjung Priok. Soms rijden ze de bergen van de Preanger in. Van die uitstapjes geniet Hella met volle teugen:

Een hoogtepunt van dergelijke tochten was altijd de picknick, ergens in een bos op een berghelling, of op een berm aan de rand van een theetuin, met brood en fruit en hardgekookte eieren en zout en peper in een papiertje; mijn ouders dronken thee of koffie uit een thermosfles, maar mijn broer en ik, die gewoonlijk dorstiger waren, kregen nogal eens een glas stroop aan een warong onderweg, vanille of hardroze soesoe, met gestampt ijs erin.

Zelfportret als legkaart zou in 2003 samen met andere autobiografische teksten als Het dieptelood van de herinnering gebundeld worden. Deze teksten zijn belangrijk voor wie de drijfveren van Hella S. Haasse wil leren kennen. Zij schreef die om zichzelf te leren kennen. Ze beschrijft haar gelukkige jeugdjaren op Java en ongelukkige periode in Nederland, tussen haar zesde en haar negende jaar, haar middelbareschooltijd, de verwarrende oorlogsjaren en haar studietijd op de Toneelschool.

Het is het leven van een bevoorrecht meisje en jonge vrouw. Toch zijn veel passages pijnlijk om te lezen. Zoals de moeizame eerste huwelijksjaren met Jan van Lelyveld, de angst en de kou tijdens een onderduikperiode, de geboorte van hun eerste dochter, Chrisje, in 1944 en het overlijden van dit meisje in 1947.

Dit boek is meer dan alleen een autobiografische terugblik. Hella Haasse wil onderzoeken waarom ze schrijft, en wat ze daarin wil bereiken. Ze heeft in 1954 al vier romans gepubliceerd, haar populariteit groeit. Ze wordt vaak voor lezingen gevraagd. Maar ze is ook echtgenote en moeder van twee dochters. Hoe moet het nu verder?

Ze beschrijft haar leven als huisvrouw:

De dagelijkse werkelijkheid van de vrouw: etensresten, vet afwaswater, vuil zeepsop, haardotten, stofnesten, kapotte kledingstukken, van urine verzadigde luiers, kachelgruis, kruimels en schillen, ordeloze bedden, rommelige kamers; stapels gebruikt vaatwerk, het materiaal voor de komende maaltijden: zanderige groenten en aardappels, rauw vlees; het vooruitzicht van een eindeloze reeks onvermijdelijke, tijdrovende handelingen en bezigheden. (…) De bereidheid op ieder uur van dag en nacht met mildheid en overtuiging te zeggen: wat is er, kom maar hier, ik zal helpen, stil maar, ik doe het wel.

Intussen broedt ze op ideeën. Schrijven is haar manier om in de wereld te staan. Ze is nu eenmaal een waarnemer:

Op straat lopen, in tram of trein zitten, een warenhuis binnengaan, of een cafetaria of een bioscoop, en met nooit verflauwende aandacht kijken naar de anderen, luisteren naar hun gesprekken, hun uiterlijk en wijze van doen in mijn geheugen prenten. De mensen zijn zowel gewoner als merkwaardiger dan zij op het eerste gezicht schijnen. (…) Het wonder van dit miljoenenvoudig gesplitst en toch één zijn van de wereld beneemt mij de adem.