1970   1980

Vrijwel jaarlijks verschijnt er een boek van Hella S. Haasse en daarnaast schrijft ze in opdracht toneelstukken, houdt ze lezingen en is ze actief in het literaire leven. Zo treedt ze 9 april 1970 op in een drukbezocht debat over het ‘engagement’ van de kunstenaar, onder de titel ‘Schrijvers en politiek’, georganiseerd door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in het Amsterdamse Koninklijk Instituut voor de Tropen. Een eigentijds thema.

Lees over de boeken gekoppeld aan dit decennium:

Een gevaarlijke verhouding of Daal- en-bergse brieven (1976)

Kort daarvoor hebben opstandige studenten in de hoofdstad het Maagdenhuis bezet, waar het universiteitsbestuur zetelt. Zij eisen meer inspraak en meer ‘engagement’ van de wetenschap. Het forum bestaat uit Hella S. Haasse, de enige vrouw, Fernand Auwera, Godfried Bomans, Willem Brandt, Herman J. Claeys, Eugène van Itterbeek, Harry Mulisch, Karel van het Reve en Julien Weverbergh.

 

 

Haasses verslag van de reis naar Indonesië verschijnt begin 1970 in boekvorm: Krassen op een rots. Notities bij een reis op Java. Het boek bevat ook twee nog niet eerder gepubliceerde vroegere verhalen en fragmenten uit een dagboek dat zij als schoolkind bijhield.

Een jaar later is er een nieuwe roman, Huurders en onderhuurders. Een fictie. De hoofdpersonen zijn bewoners van één groot stadspand, en met iedereen is iets merkwaardigs aan de hand. Het boek is te lezen als een satire op de jaren zestig, en als een commentaar op ‘levensechte’ historische romans zoals een van de personages, Antonia Graving, die schrijft. Een ander personage, de mislukte schrijver Dupels, houdt redevoeringen voor een denkbeeldig publiek.

In opdracht van De Nieuwe Komedie schrijft Hella Haasse in 1971 een toneelstuk, Geen bacchanalen. Op 10 december gaat het, in een regie van Erik Plooyer, in première in het Haags Ontmoetingstheater. Het stuk speelt zich af op een middelbare school. De schrijfster woont met plezier de repetities bij.

In 1972 volgt de essaybundel Zelfstandig, bijvoeglijk. Zeven essays over schrijvers, schrijfsters en hun personages. Haasse bespreekt hierin, zoals ze vaker zal doen, diepgaand het werk van collega-schrijvers als Simon Vestdijk, Willem Frederik Hermans en Anna Blaman. Zij bestrijdt in deze essays de mythe van het typisch mannelijke (‘zelfstandige’) en vrouwelijke (‘bijvoeglijke’) schrijverschap, clichés waardoor schrijvers, ook zijzelf vindt ze, zich te veel laten leiden.

De Meester van de Neerdaling (1973) is een tweeluik, bestaande uit ‘De duivel en zijn moer’ en ‘De kooi’, verhalen waarvoor de eerste notities al uit respectievelijk 1948 en 1953 dateren. De ‘oerversies’ van deze verhalen zullen worden gepubliceerd en becommentarieerd in Een doolhof van relaties (2002), samengesteld en geredigeerd door Mirjam Rotenstreich en Lisa Kuitert. De twee verhalen zijn surrealistisch en griezelig; ze geven blijk van Haasses fascinatie voor het geheimzinnige en angstaanjagende. ‘Er is,’ zegt ze in een interview in dat boek, ‘niets geheimzinnigers dan het zogenaamd gewone. Maar je moet wel een zintuig hebben om die samenhang te herkennen.’

Ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van koningin Juliana interviewt Hella Haasse de vorstin voor de NCRV-radio. Ze zal altijd goede contacten houden met het koningshuis, vooral met de latere koningin Beatrix en haar man prins Claus.

Een tekst van Haasse leidt in 1973 tot enige opschudding. Voor het eindexamen Nederlands op de havo wordt, buiten medeweten van de schrijfster, een fragment gebruikt uit het essay ‘De verantwoordelijkheid als mens van de kunstenaar’, afkomstig uit Leestekens. De tekst wordt veel te moeilijk bevonden. Dit leidt zelfs tot vragen in de Tweede Kamer. De norm wordt versoepeld: alle kandidaten krijgen er twee punten bij.

Op 30 augustus 1974 wordt het eerste kleinkind van Hella Haasse en Jan van Lelyveld geboren: Roos, de dochter van Marijn van Lelyveld en haar toenmalige man Sicco Polak. Dochter Ellen trouwt in 1982 met Simon van den Berg.

De roman Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven uit 1976 – tegelijk ook een essay over de liefde tussen man en vrouw – krijgt veel waardering in de literaire kritiek en wordt in 1977 bekroond met de Litteraire Witte Prijs.

De roman wekt ook de interesse van enkele feministes. Het beseft daagt dat Hella Haasse een schrijfster van ‘het eerste echelon’ is, ook al trekt ze de aandacht minder naar zich toe dan enkele mannelijke collega’s. Andreas Burnier schrijft in de essaybundel De zwembadmentaliteit (1979):

De mannenmedia, hoezeer zij in hun specifieke vrouwenreservaat soms bereid zijn vrouwelijke auteurs te prijzen, noemen zelden of nooit vrouwen als het erom gaat de trend (en vooral de toppen) van een bepaalde litteraire periode aan te tonen. Liever noemt men een vijfderangs (bestseller)auteur als Wolkers in één adem met Van het Reve en Hermans (…), dan dat men ooit een vrouw in het pantheon zou opnemen. Hella Haasse, Maria Dermoût, Carry van Bruggen, Inez van Dullemen waren of zijn in de Nederlandse verhoudingen van het eerste echelon. Zij worden daar echter praktisch nooit bij genoemd.

In de zomer van 1976 gaat Hella Haasse opnieuw naar Indonesië, met dochter Marijn en haar man Erik Meershoek. Ze bezoeken in Bogor, het voormalige Buitenzorg, de beroemde Plantentuin, waaraan Haasse mooie kinderherinneringen heeft, en ontdekken dat Villa Verona, waar het gezin Haasse rond 1930 woonde, nog geheel intact is. Na dit bezoek, zo zal zij schrijven in Een handvol achtergrond (1993), zal ze zichzelf ‘iedere vorm van tempo doeloe-heimwee verbieden'.

Met Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter. Een ware geschiedenis (1978) schrijft Hella S. Haasse toch weer een historische roman, maar van een heel ander type dan de eerste twee. Het is geen traditionele historische vertelling zoals Het woud der verwachting maar een documentaire roman. Het is het verhaal over het treurige, gearrangeerde huwelijk tussen graaf Willem Bentinck en de opstandige Charlotte Sophie von Aldenburg (1715-1800), die met haar kinderen haar slechte huwelijk ontvlucht. Zoals de ondertitel aangeeft, is het boek gebaseerd op bestaande bronnen, onder meer de bewaard gebleven correspondentie tussen de echtelieden. Waar de bronnen geen uitsluitsel bieden, zet Haasse haar verbeelding in. Mevrouw Bentinck is een groot succes; Haasse breidt haar lezerskring nog verder uit.

Haar interesse in achttiende-eeuwse vrouwen is gewekt. Samen met P.J. Buijnsters en Daisy Wolters stelt zij in 1979 een Schrijversprentenboek samen, Betje Wolff & Aagje Deken, over wie ze ook essays zal schrijven.

Ook hedendaagse vrouwelijke collega’s hebben haar belangstelling. In 1980 bezoekt ze een van de weekends op landgoed Den Treek waar schrijfsters en journalistes samenkomen, onder wie Emma Brunt, Gerda Meijerink, Josepha Mendels, Elly de Waard, Aukje Holtrop, Ageeth Scherphuis en Doeschka Meijsing. Het schrijverschap van Hella Haasse is een nieuwe fase ingegaan.