1960   1970

Het nieuwe decennium begint goed voor Hella S. Haasse: op 24 mei 1960 krijgt ze uit handen van John Eppstein, de algemeen secretaris van de NAVO, de internationale Atlantische prijs voor De ingewijden. Kort daarna verschijnt een nieuwe roman, Cider voor arme mensen, die in 1980 in Russische vertaling zal worden uitgebracht.

Lees over de boeken gekoppeld aan dit decennium:

Cider voor arme mensen (1960)

In 1961 ontvangt ze, op 10 februari in het Amsterdamse Concertgebouw, wéér een prijs, de letterkundeprijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945, een prijs die na de oprichting in 1946 vooral naar oud-verzetslieden gaat, maar later ook naar kunstenaars die zich ‘in de geest van de grondleggers’ geprofileerd hebben.

In 1961 wordt de schrijfster, die al een behoorlijk groot lezerspubliek heeft opgebouwd en vrijwel wekelijks lezingen geeft, een echte Bekende Nederlander. Samen met Godfried Bomans, Harry Mulisch en Victor E. van Vriesland is zij panellid in het populaire tv-programma Hou je aan je woord (AVRO), dat wordt gepresenteerd door Karel Jonckheere. Ze doet een jaar lang mee, dan houdt ze het voor gezien. Televisie, zou ze in interviews zeggen, levert haar ‘een oneigenlijke populariteit’ op, waar ze als schrijfster niets aan heeft.

Er is beeldmateriaal van één uitzending bewaard gebleven. Terwijl Hella associeert op de woorden ‘mannequin’ en ‘deurwaarder’ (spontaan was dat niet, in het archief zijn aantekeningen te vinden die ze maakte ter voorbereiding), kijkt Harry Mulisch meewarig en mompelt hij tegenwerpingen. De twee schrijvers, die na 1990 in de buurt van het Amsterdamse Leidseplein elkaars overburen zouden zijn, zijn nooit vrienden geworden.

In 1962 verschijnt bij Querido De meermin. Deze kleine roman beschrijft één dag uit het leven van Sera Doornstam. De vondst van een skelet in het Gooi is voor de hoofdpersoon aanleiding om terug te kijken op gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Alle betrokkenen blijken hun eigen verhaal en hun eigen geheimen te hebben. De roman beschrijft ook het moeizame huwelijk tussen Sera en haar man Leonard. In Persoonsbewijs zal Haasse over dit enigszins autobiografische portret schrijven: ‘Sera is beweeglijker, “vloeiender”, maar minder zuiver dan Leonard; Leonard is volstrekt integer, maar beperkter dan Sera.’

Op 6 oktober krijgt ze, onverwachts, alweer een literaire prijs: de Visser Neerlandia-prijs voor Toneel, voor het manuscript van het toneelstuk Een draad in het donker, dat ze al in 1954 had geschreven. Het toneelstuk zou later regelmatig worden opgevoerd, vooral door scholieren.

Haasses dochters Ellen en Marijn merken in de jaren zestig dat hun moeders populariteit groeit; ze worden er als kind op aangesproken. In Altijd piano schrijft Ellen van Lelyveld:

Hoe je het ook wendt of keert, in ons gezin van vroeger had de bewonderende buitenwereld, mijn moeders publiek, een belangrijke rol gespeeld. Haar publiek was, om in haar eigen terminologie te blijven, voor haar te vergelijken met naaste familie. En wel favoriete naaste familie, die voor ons dan weer onbekend was.

 

In de loop van de jaren zestig wordt Hella S. Haasse actief in het openbare letterkundige leven. Ze zit in tal van literaire jury’s, is actief als (bestuurs)lid van de PEN-Club (nu PEN Nederland), de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, de Stichting Kunstenaarsverzet en het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Haasse neemt in 1964 deel aan het Schrijversprotest, een actie om een betere financiële regeling voor schrijvers te bewerkstelligen, een actie die leidt tot de oprichting van het Fonds voor de Letteren. Ze treedt in 1964 toe tot de Centrale Commissie van de Filmkeuring.

Hella S. Haasse leest erg veel. Ze kent haar klassieken en leest veel historisch werk, maar volgt ook de literatuur van haar eigen tijd nauwlettend. Ze zal altijd naast haar eigen werk blijven schrijven over het werk van collega-schrijvers. In 1965 verschijnt de bundel Leestekens, met essays over het werk van onder anderen Simon Vestdijk, Anna Blaman en Jan Wolkers, en over buitenlandse schrijvers als Elias Canetti, Iris Murdoch en Witold Gombrowicz.

In 1966 volgt de historische roman Een nieuwer testament. Haasse beschouwt die als een van haar beste boeken en een van haar meest dierbare. De roman zal worden vertaald in onder meer het Frans, Spaans, Italiaans en Engels. Hij beschrijft één dag in het Rome van de vijfde eeuw, de dag van het proces tegen de dichter Claudius Claudianus. Haasse schrijft in Persoonsbewijs dat ze zich identificeerde met deze dichter, zoals vaker met haar mannelijke hoofdpersonen:

Ik geloof, dat over het algemeen in de symbolentaal van de verbeelding de individuele bewustwording eerder de gestalte aanneemt van een mannelijke dan van een vrouwelijke persoonlijkheid. Het deel van mezelf dat zich rekenschap geeft, dat wil onderzoeken, met de rede leven, en dat dus ook – ter compensatie – geneigd is tot romantiek, tot het projecteren van verdrongen irrationele en emotionele elementen, verschijnt in mijn werk in de gedaante van mannelijke ik-figuren.

Dit type uitspraken is Haasse later wel verweten; zij zou ‘manlijkheid’ hoger aanslaan dan ‘vrouwelijke waarden’.

In 1967 verhuizen Hella S. Haasse en haar man naar Den Haag; Jan van Lelyveld wordt er benoemd tot rechter aan de arrondissementsrechtbank. De kinderen blijven in Amsterdam. Zij publiceert haar tweede autobiografie, Persoonsbewijs. Daarin schrijft ze weemoedig over de verhuizing:

De dag van onze verhuizing komt dichterbij. Wat ik in mijn jeugd zonder pijn of moeite, soms tweemaal in één jaar, meemaakte: het ‘overgeplaatst’ worden, (…) dat onderga ik nu, na een ononderbroken verblijf van ruim twintig jaar in Amsterdam, als een cesuur in mijn leven. Hier hebben wij gewerkt en geleefd als volwassenen, hier zijn onze kinderen opgegroeid. (…) Het is voor mij het eerste volstrekt vanzelfsprekende eigen verblijf geweest, waaraan ik zo gewend geraakt ben dat ik het niet meer zag, het was een deel van mijn leven geworden.

De tuinen van Bomarzo, een autobiografisch essay, verschijnt in 1968. Ook dit bij een groot publiek minder bekende boek ligt de schrijfster na aan het hart. Het vertrekpunt van Haasses verbeelding vormen hier enkele bizarre, grillige beelden in een Italiaanse beeldentuin uit de Renaissance, eerst gezien in een tijdschrift, later met eigen ogen, tijdens een vakantie. Zij zijn voor haar ‘een teken, dat ik moest ontcijferen’.

Pas in de zomer van 1969 keert Hella S. Haasse, samen met haar man, voor het eerst terug naar haar geboorteland. De reis, waarvan ze verslag zal doen in Krassen op een rots. Notities bij een reis op Java (1970), maakt grote indruk. Het is een feest van herkenning voor de zintuigen: de geur van klapperolie en trètèk, de smaak van ‘roomwitte zuurzakmoes’. Bijna alle gebouwen staan er nog. Toch is er iets vreemds, merkt ze: de Nederlanders zijn verdwenen uit dit tafereel. Iedereen is Indonesisch, op een enkele, potsierlijk westers uitziende toerist na, zoals zij en Jan. Die observatie doet haar pijn.