1938   1948

In september 1938 komt Hella S. Haasse aan in Nederland. Een beeldschoon meisje, gewend aan een beschermd leven van feestjes, toneelstukken, diners, strandplezier en paardrijtochten. Een meisje dat met koffers vol avondjurken en bijbehorende schoenen van de boot komt. Maar ook: een naïeve, wereldvreemde twintigjarige die het moederziel alleen, ver van haar familie, moet zien te rooien in een vreemd, kil land.

Lees over de boeken gekoppeld aan dit decennium:

Oeroeg (1948) Het woud der verwachting (1949)

Ze gaat studeren, Scandinavische Talen en Letteren; ze houdt van sagen en legendes uit het Noorden. De eerste tijd woont ze in een keurig pension in Amsterdam-Zuid, later zal ze op verschillende adressen aan de grachten wonen. Meteen stort ze zich in het studentenleven. Ze wordt lid van de Amsterdamsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging (AVSV), ze komt bij het dispuut Minerva en speelt toneel bij de Amsterdamsche Vrouwelijke Studenten Toneelvereeniging.

 

Maar de aansluiting bij leeftijdgenoten is niet makkelijk; ze weet niet wat er speelt in Nederland. In Zelfportret schrijft ze:

Ik kon alle maîtresses van Louis XV, alle opera’s van Wagner, alle tragedies en blijspelen van Shakespeare in chronologische volgorde opnoemen, desgewenst de inhoud van het Ramayana, de Cuchulain-cyclus, of de Volsungasaga vertellen, ik had de kwatrijnen van Hafiz gelezen en Burckhardts Die Renaissance in Italien (…) ik kende de zonnehymne van Achnaton uit het hoofd, driekwart van de muziekliteratuur tussen Bach en Honegger had ik wel eens gehoord, men hoefde niet te proberen mij een Ingres voor een Delacroix, een Mantegna voor een Piero della Francesca te verkopen, maar ik wist geen enkele naam van een minister of van een Amsterdams gemeenteraadslid te noemen.

Ook hier is ze een buitenstaander, net als in haar geboorteland.

In een documentaire van Max Pam en Machteld van Gelder uit 2004, Het vierde leven, is een filmpje te zien dat Hella’s ouders in Batavia hebben gemaakt, voor haar 21ste verjaardag op 2 februari 1939. Haar stoel is versierd, maar ze is er niet bij. In het filmpje zijn de ouders blij verrast met ‘een brief uit Holland!’. Haasse vertelt dat ze die film pas vijftig jaar later voor het eerst heeft gezien. ‘Mijn moeder heeft hem de hele oorlog door in het jappenkamp bewaard, rolletjes film in een kussensloop.’ Pas na de oorlog zal ze haar ouders terugzien.

Gelukkig woont er één vertrouwd persoon in Amsterdam, haar vriend Douwe Radsma, die medicijnen studeert. Met Douwe heeft Hella veel plezier in het studentenleven. In een brief aan haar ouders, gedateerd 8 maart 1940, vertelt ze over het Corpsbal waar ze met Douwe was:

Corpsbal in ’t Amstelhotel tot 4 uur, daarna na-feesten op de sociëteit van de mannelijke studenten. Ik had toevallig voor f.15 een leuke zwarte tafzijden jurk op de kop kunnen tikken bij C. en A, (…) strak bij taille en ruime rok en met een strik van achteren. Er was een klein jasje met pofmouwen bij, dat ik tijdens diner en concert aanhad. Van Douwe kreeg ik als corsage 3 donkerrode rozen, waarvan ik er twee aan een zwart fluwelen lint om mijn hals en één in mijn haar droeg. (…) We zwierden om half acht nog rond van heb ik jou daar.

 

Hier is een zorgeloos meisje aan het woord. ‘Hè,’ schrijft Hella, ‘jullie moesten eens weten hoe lief Douwe altijd voor mij is.’ Ze is intussen ook gedebuteerd als dichteres, met een gedicht in de Studentenalmanak 1939  en met twee gedichten in het tijdschrift Werk, waaronder ‘Virgo’.

Twee maanden na het Corpsbal breekt de oorlog uit. Hella’s leven verandert razendsnel. Ze stopt met haar studie omdat de nazi’s eveneens een voorliefde voor oud-Noorse saga’s hebben; de studie is besmet. Ze trekt van kamer naar kamer en deelt haar woning met onderduikers. Met Douwe raakt het uit. Ze maakt kennis met Jan van Lelyveld, student rechten en geschiedenis en redacteur van het studentenblad Propria Cures.

Als Mariken van Nieumeghen. Foto: A.Ph. de Keijzer

Ze wordt aangenomen op de Toneelschool in Amsterdam, waar ze jaargenoten heeft als Elisabeth Andersen, Liane Saalborn en Harry Emmelot. In juni 1943 doet ze eindexamen aan de Toneelschool.

Daarna treedt ze op als Mariken van Nieumeghen in een gelijknamige openlucht-voorstelling en ze speelt in enkele toneelstukken in het gezelschap Cees Laseur. Vanaf 1943 schrijft teksten voor cabaretier Wim Sonneveld en soms treedt ze op in zijn programma’s.

Na 1942 is er geen contact met haar ouders meer mogelijk; Hella maakt zich grote zorgen over hun lot. In 1945 krijgt ze een telegram waarin staat dat haar ouders en broer nog in leven zijn. Hella is dan al getrouwd met Jan van Lelyveld en heeft een dochtertje, de op 11 november 1944 geboren Chrisje. Ze wonen in Eindhoven, waar Jan een onderduikbaan heeft bij Philips. Daarna wonen ze korte tijd in Amsterdam, waar ze dreigen te verkommeren door kou en honger. Op oudejaarsavond 1944 gaan ze, de baby goed ingepakt in een groentekistje, te voet naar Oegstgeest, waar Jans ouders wonen.

In die hongerwinter van 1944-1945 schrijft Hella S. Haasse aan een toneelstuk over het leven van Charles d’Orléans, dat ze zal omwerken tot de roman Het woud der verwachting die in 1949, na haar prozadebuut Oeroeg, zal verschijnen. Kort na de bevrijding in 1945 viert ze haar literaire debuut; bij Querido verschijnt haar dichtbundel Stroomversnelling. Haar ouders zijn er niet bij, die zullen pas in juni 1946 naar Nederland terugkeren.

In 1947 gebeurt er iets verschrikkelijks. Chrisje krijgt difterie en zal dat niet overleven. Zij overlijdt op 13 april 1947. Hella, net zwanger van haar tweede kind, blijkt ook besmet en wordt in het ziekenhuis opgenomen.

Op 15 november 1947 wordt dochter Ellen geboren, die voortaan de oudste zal zijn. Ellen van Lelyveld zal in haar boek Altijd piano. Muziek in het leven van Hella Haasse (2014) schrijven:

Zoals in zoveel gezinnen in de jaren vijftig was het ook bij ons thuis niet gebruikelijk om over gevoelens of over jezelf te praten. (…) Waarschijnlijk om haar [Chrisje] te gedenken luisterden mijn ouders in de jaren daarna soms devoot naar bepaalde muziekstukken, onder andere “Pavane pour une infante défunte” van Ravel en de “Kindertotenlieder” van Mahler, gezongen door Galina Vishnevskaya.

Kort na Chrisjes dood krijgt Hella S. Haasse een uitnodiging om mee te doen aan een prozawedstrijd van de CPNB. Ze neemt de uitnodiging aan; door zich te concentreren op een verhaal zou ze even worden afgeleid van haar grote verdriet. Haar anonieme inzending, Oeroeg, zou winnen en in 1948 als Boekenweekgeschenk verschijnen. Hella S. Haasse is ineens een veelgelezen schrijfster.