1928   1938

Als Hella negen is, wordt haar moeder genezen verklaard. Hella en Wim vieren met haar enkele maanden vakantie in Zwitserland. Voor het eerst ziet Hella besneeuwde bergtoppen. Nog mooier vindt ze de films die worden gedraaid in de chique hotels waar ze verblijven: Yolanda, de bruid van Maximiliaan van Oostenrijk, Een huwelijk tijdens de Revolutie, De klokkenluider van de Notre Dame. Draken van films, maar de negenjarige denkt dat ze echt het verleden weerspiegelen.

Lees over de boeken gekoppeld aan dit decennium:

Oeroeg (1948) Sleuteloog (2002)

Hella S. Haasse schrijft in Zelfportret als legkaart uitvoerig over de terugkeer naar haar geboorteland en over de periode daarna. In de zomer van 1928 komt Willem Haasse naar Nederland om zijn gezin op te halen. De koperen bruiloft van het echtpaar wordt in september gevierd met een familiediner in Baarn. Hella, met een enorme witte strik in het haar – die even later in brand zou vliegen door de flits van de fotograaf – zit er wat verweesd bij.

Hella moet, tien jaar oud, wéér verhuizen, naar een inmiddels vreemd land. Ze gaan wonen in Bandoeng, een stad die ze amper kent. De komende jaren worden boeken haar beste vrienden. Ze kan niet wennen aan de Indische gewoonte om ’s middags enkele uren te rusten. Ze trekt zich terug op een koele plek en leest de boeken uit de boekenkast van haar vader: de avonturen van Jules Verne, historische romans van Jacob van Lennep en middeleeuwse verhalen als Reinaart de Vos en Tristan en Isolde.

Tijdens die stille uren begint ze te schrijven, in een schoolschrift. Ze schrijft ‘Het Huys met de Meerminne, roman uit de Vaderlandsche Geschiedenis’, een roman over de geloofsstrijd tussen de Rekkelijken en de Preciezen: ‘Weliswaar wist ik volstrekt niet wat dat conflict eigenlijk inhield, maar het stelde in ieder geval mijn hoofdpersonen in de gelegenheid elkaars gezworen vrienden of onverzoenlijke vijanden te zijn.’

In Persoonsbewijs (1967), Haasses tweede autobiografische boek, stelt zij dat zij haar ouders niet werkelijk heeft gekend. Er is altijd een beleefde afstand tussen de gezinsleden (hiernaast op een foto uit circa 1934). Ieder gaat zijn gang: haar moeder speelt piano, Wim speelt met zijn treinen, haar vader houdt zich bezig met zijn hobby’s, zoals sterrenkunde, en Hella leest, tekent of schrijft.

Wel zijn er uitstapjes. Kampeerpartijen met haar neef Gerard en nicht Corrie en tochten naar het meer van Telaga Warna, op de Poentjak-pas. Ze gaan daar zwemmen, er is een gewoon strandje – dat is er nog – maar Hella vindt het meer geheimzinnig en dreigend: ‘De overdaad van groen, de verstrengeling, overwoekering, triomf en breidelloze expansie van het meest vitale: de openbaring van een groeikracht die ook in mij was.’ Ze zou de onheilszwangere centrale scène in Oeroeg daar laten plaatsvinden, in dit duistere, zuigende meer.

De afstand die ze tot haar ouders voelde, schrijft Haasse, is gegroeid in de jaren tussen haar zesde en tiende, als het gezin uiteen is gevallen: ‘Ik heb mij toen vaak door mijn ouders in de steek gelaten gevoeld.’ Het komt nooit meer helemaal goed.

Een tragische tienertijd heeft ze niet. Ze leidt een druk leven, vol met school, vriendinnen en vriendjes en feesten. In 1931 vestigt het gezin zich weer in Batavia, waar ze tot aan haar eindexamen zal blijven.

Hella wordt toegelaten tot het lyceum van de Carpentier Alting Stichting, kortweg CAS, waar zij het gymnasium volgt. IJverig is ze niet, ze is alleen geïnteresseerd in literatuur, tekenen en geschiedenis. Ze sluit zich aan bij de literaire club Elcee, waarvan ook de latere schrijfster Aya Zikken lid is.

Voor het eerst in haar leven heeft Hella echte vriendinnen, met wie ze kan zwieren door de winkelstraat Pasar Baroe. Na een paar jaar komen er ook vriendjes in beeld. Foto’s uit die tijd tonen Hella tussen een schare aanbidders, op een gekostumeerd bal, op fancy fairs, in het zwembad. Het is niet moeilijk om haar te vinden op die overvolle foto’s: zij is het mooiste meisje van de groep, omringd door smachtend kijkende jongens.

 

In schoolschriften staan de teksten bij die foto’s: eindeloze verhalen over jongens die ‘Rudy’ of ‘Hennie’ heten en met wie ze heeft gedanst, of juist niet omdat het ‘griezels’ of ‘mispunten’ zijn. ‘De erotiek was het enig werkelijke voor ons, ook al durfden wij het onszelf of anderen niet toegeven,’ schrijft ze in Persoonsbewijs. Ze herinnert zich een ‘gedenkwaardige ochtend’:

 

Ik ontdekte dat de jongen die mij de vorige zaterdag van dansles naar huis had gebracht, op de hoek van de straat op mij stond te wachten, één been op de grond, het andere nonchalant slingerend over de stang van zijn fiets. Verlegen en zwijgend, beiden onder de indruk van de situatie, reden wij naast elkaar naar school. Om één uur vond ik hem weer bij de uitgang van het fietsenhok, alsof het nooit anders was geweest. Op de stille buitenwegen in de buurt van mijn huis begonnen wij te racen, zonder aanleiding of doel, met snelle zijdelingse blikken naar elkaar om te zien hoelang de ander het nog zou volhouden. Hij remde, door het voorwiel om te gooien en de benen op de grond te zetten, bij het tuinhek. Tot morgen. – Ik holde naar binnen, naar mijn kamer, en keek verwonderd in de spiegel. Ik heb een vriend, dacht ik opgewonden.

Uiteindelijk zou een van deze jongens haar vriend worden en zelfs even haar verloofde: Douwe Radsma. Op de foto hiernaast: Hella (op de voorgrond) en Douwe Radsma (in het midden) in 1937 in de winkelstraat Passar Baroe.

De leerlingen op het lyceum zijn vrijwel allemaal van Nederlandse afkomst, met enkele uitzonderingen, kinderen van Javaanse functionarissen bij het Gouvernement. Een tijdlang, noteert Hella in Zelfportret, is ze bevriend met twee Javaanse meisjes, over wie ze zal schrijven in Sleuteloog. Ze komen bij elkaar thuis, maken samen huiswerk, maar de ouders blijven uiterst vormelijk tegen Hella. Een hartsvriend als Oeroeg, zoals de Nederlandse hoofdpersoon van de gelijknamige novelle heeft, heeft zij niet. Misschien is zo’n vriend een wensdroom.

In 1938 doet Hella eindexamen gymnasium, enkele maanden later vertrekt ze naar Nederland, om daar te gaan studeren. In Zelfportret beschrijft ze het afscheid van haar geboorteland:

 

Op de kade, tussen de andere wegbrengers, stonden mijn ouders. Ik zag hun wuivende gestalten kleiner en kleiner worden, en met hen de loodsen van Priok, de huizen op de achtergrond, en verder weg langs de kust de rijen palmen in een waas van middaghitte. (…) Ik huilde niet omdat ik mijn ouders en het land van mijn jeugd moest achterlaten, maar om de overrompelende zekerheid, waar ik niet over spreken kon, dat dit alles voorbij was, voorgoed.