Hemelse mevrouw Frederike

Frederike Martine ten Harmsen van der Beek (1927-2009) was de dochter van de bekende illustratoren Eelco ten Harmsen van der Beek en Freddie Langeler. De vader werd beroemd door de strip Tiels Flipje, het fruitbaasje van Tiel.

 

Frederike (Fritzi) bezocht de Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijs en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Vanaf 1949 publiceerde ze zelf haar illustraties in het Algemeen Handelsblad. In de zomer van 1949 vertrok ze naar Frankrijk. Uit haar huwelijk met de Fransman Eric de Mareschal werd een zoon Gilles (1951-2006) geboren. Na haar terugkeer in Nederland bewoonde ze de villa Jagtlust bij Blaricum. Dat buitenhuis met zijn vele genode en ongenode gasten speelde een belangrijke rol in het culturele leven van die dagen. F. Harmsen van Beek dankt haar reputatie vooral aan haar debuutdichtbundel Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1965). Daarna verscheen er nog één bundel gedichten Kus of ik schrijf (1975) en twee verzamelingen met geniale prozateksten Wat knaagt (1968) en Neerbraak (1969). Door het grillige, soms burleske taalgebruik en de onverwachte invalshoeken van haar gedichten en teksten genoot zij een enorme faam in literair Nederland. Behalve dichter was zij ook tekenaar en maker van zeer bijzondere objecten: een multikunstenaar.

 

In 2012 verscheen haar Verzameld werk, in 2015 het schrijversprentenboek Stoeten Ritseldingen. Maaike Meijer werkt aan een biografie die in 2018 zal verschijnen. Tijdens haar onderzoek stuitte zij op de omvangrijke correspondentie tussen Fritzi en haar jeugdliefde Jan Hooglandt, de latere directeur van de Hoogovens. Deze briefwisseling is volstrekt uniek en verscheen niet eerder, ook niet in fragmentarische vorm.

Jeugd met een donker randje

Frederike Martine ten Harmsen van der Beek werd in 1927 geboren. Zij was het eerste kind van Eelco ten Harmsen van der Beek en Freddie Langeler, die allebei professioneel tekenaar waren. Dat Frederike – haar roepnaam was Fritzi – ook illustrator zou worden lag voor de hand. Haar moeder portretteerde haar als vierjarige, al druk aan het tekenen. Harmsen van Beeks jeugd was gevuld met plaatjes van de muisjes, poesjes en beertjes die haar ouders creëerden, met kinderverhalen en jeugdboeken en ook met Flipje van Tiel, een populair stripfiguurtje dat haar vader tekende voor De Betuwe jamfabrieken. Vaak hielp de hele familie mee om de Flipjes op tijd klaar te krijgen.

Frederike’s jeugd leek idyllisch. Ze woonde in een, tijdens haar kinderjaren gebouwde,villa in Blaricum en er was een lieve inwonende oma – oma Trui - die de kinderen verzorgde. Maar toch hing er een schaduw over haar jeugd. Haar moeder gaf duidelijk de voorkeur aan haar jongere broer Heintje. Haar vader gaf haar wel aandacht maar hij was ook streng en veeleisend.

 

Liefde voor poëzie

Als in 1940 de oorlog uitbreekt is Frederike dertien. Ze is intelligent, maar niet erg ijverig op school, waar ze zich waarschijnlijk verveelt. Haar leraar Nederlands is Garmt Stuiveling en zijn literatuurlessen maken wel indruk. Vanaf haar zestiende jaar houdt Harmsen van Beek een dagboek bij, waarin ze haar eerste gedichten schrijft. Ze leest de lange verzen van Herman Gorter. Zijn ‘Mei’ is haar school voor de poëzie.

Beluister hetdagboekfragment hier

‘Ik ben van Gorter’s Mei verrukt en zoek naar een omkleding van mijn motief, zoals hij dat vond, zo stralend en helder, zo weinig dubbelzinnig en toch zo onbegrijpbaar.
Ik voel dat ik nu een vers kan maken, want het moet, het is nodig om met mezelf tot mezelf te komen. […]

Wie kent de stilte van een eenzaam huis
waarom de wind waait en waarin geen thuis
te vinden was, voor niemand, zodat stil
de diepe stilte is en niet wijken wil.

Zo moet dit gedicht voortgaan, mooi, vooral mooi moet het blijven. Dit maakte ik nog:

Dragen niet onze hoofden kronen
van hemelgoud
en zullen wij dan niet wonen
waar mist ophoudt
en door de wolk gordijnen
zonnen en manen schijnen
tot ook dat, ophoudt.

... daar liggen bedolven
onder de golven
mijn dromerijken van weleer...

meer nog, dat de moeite niet waard is.’

(Uit: Dagboek Fritzi Harmsen van Beek, 16 oktober 1944)

Naarmate de oorlog vordert staakt het onderwijs en kan Frederike niet meer naar school. Harmsen van Beek wordt thuis ingezet in het huishouden; ze moet schoonmaken en bedienen. De relatie met haar moeder is niet harmonieus. Frederike voelt zich onbegrepen en niet gezien. Ze denkt dat ze geen goede kleren krijgt omdat haar moeder haar als concurrent ziet: Assepoester.

 

In de oorlog

In de oorlog zijn in Blaricum, net als in de rest van Nederland, brandstof en voedsel schaars. Ten Harmsen van der Beek is ziek en ligt veel in bed. Ze schrijft en luistert naar de geluiden in het grote huis.

Beluister hetdagboekfragment hier

‘Beneden werken vijf mensen de hele dag onafgebroken aan hun maaltijden, en ik ben er van overtuigd dat ik, zodra ik beter ben ook mee moet helpen. Werkelijk, ik eet liever een onsmakelijke stamppot, (die heel goed moet zijn) van de centrale keuken dan dat ik mijn dag verknoei op een dergelijke manier.

 

's Avonds zitten wij een uurtje bij de kachel met een kaarsje in een onbeschrijfelijke rommel. Ik dacht dat het mooie zachte kaarslicht kalmerend zou werken op de zenuwen, maar iedereen schijnt er ontegenzeggelijk door geprikkeld. Pappa is zo vervelend dat oma hier kwam met de sinistere opmerking dat ze weg ging lopen, of een einde aan haar leven zou maken. Lieve ouwe oma.’

 

(Uit: Dagboek Fritzi Harmsen van Beek, 19 october 1944)

Gelukkige verhouding

Het is in deze roerige tijd dat ze verliefd wordt op Jan Hooglandt. Hij zit op dezelfde middelbare school, woont in Naarden met zijn moeder en is bijna anderhalf jaar ouder dan Harmsen van Beek. De verliefdheid is geheel wederzijds. Hooglandt schrijft een reeks liefdesgedichten voor haar.

Beluister de brief hier

Ik droomde, dat je was een paddestoelenplukster
in een wild en toverachtig land
je ging er zoekend rond en plukte’er
wel duizend paddenstoelen met je hand.

 

En de wind woei als ’t hem lukte
je haren los van iedre band
en de paddestoelen waren, die je plukte,
nog witter, kleiner, dan je kleine witte hand.

 

En ik zag hoe je liep en bukte
en een wind woei in dat land
die op je lippen kussen drukte
nog witter, kleiner dan de paddestoelen in je hand.

 

(Gedicht Jan Hooglandt, 1944)

Beluister de brief hier

Aan de heuvels van je blanke borsten
heb ik nieuw land ontdekt,
En mijn handen hebben, toen zij eind'lijk dorsten
zich aarz'lend uitgestrekt.

 

Zoals wij soms niet durven de eerste schreeen
in de nieuwe pasgeboren sneeuw.
Zoals wachtend zwerft boven grijze zeeën
een hongerige meeuw.

 

(Uit: ‘Aan de heuvels van jouw blanke borsten’)

Jan Hooglandt lijkt in 1944 een poosje bij de Harmsen van Beeks ondergedoken te zijn geweest, mogelijk om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. In die periode ontdekt het stel – tot beider verrukking - ook de lichamelijke liefde. Het is een gelukkige verhouding: ze wandelen vaak over de hei, praten veel, dichten allebei en lezen elkaars dagboek. Hooglandt zit in een hogere klas, hij is ijverig en leergierig en ze schrijven elkaar over hun gevoelens, maar ook over literatuur, filosofie en politiek. Zijn koosnaampje voor haar is ‘Warretje’, haar naampje voor hem is ‘Jannetje’ of ‘Roe’

Beluister de brief hier

‘Lieve Fritzi,
Het is diep in de nacht. Ik zit uit te kijken voor mijn raam evenals vanmiddag toen ik jou verwachtte en ik voel me als een jonkvrouw op een toren, die overdag niets anders doet dan op haar beminde wachten en des nachts smachtelijke blikken opzendt naar de sterren.’

 

Jan Hooglandt aan Fritzi Harmsen van Beek, 26 februari 1945

Beluister de brief hier

‘Lieve Jan,
Dit wil ik je schrijven: dat ik van je houd en dat ik werk. […] Bovendien zal ik weer een dagboek gaan houden of je brieven schrijven van iedere dag […]. Verder heb ik afgesproken om na St. Niklaas geregeld in de kleuterklas te komen tekenen. Dat is goed nieuws. Ik zal meer van dat soort dingen opzoeken, want het begin is dat ik als ik eenmaal daar ben ook teken tot ik weg ga terwijl ik thuis nooit lang onafgebroken bezig ben.
Denk er eens over na, lieve jongen, of je op Sinterklaasavond bij ons wil komen. Anders stuur ik je je pakje en kom, als je dat uitkomt, de volgende dag bij je. Alle andere dingen vind je hierbij ingepakt. Ik hoop je spoedig te zien. Duizenden groeten en een vlinderzoentje en een gewone van Fritzi.’

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt, 28 november 1945

Harmsen van Beek schrijft in sommige perioden dagelijks terug en illustreert daarbij haar brieven. Ze dichten allebei, ze corresponderen over literatuur, mogen elkaars dagboek lezen en bezoeken tentoonstellingen. Hooglandt becommentarieert haar gedichten.

Beluister de brief hier
De eerste pagina van een jeugdgedicht van F. Harmsen van Beek, met commentaar van Jan Hooglandt in potlood
Dolgraag naar Amsterdam

In september 1945 heropent de Universiteit van Amsterdam en Hooglandt schrijft zich in als student Economie. Hij stort zich ook in het studentenleven, doet mee aan de ontgroening en woont op het Oudekerksplein tot hij in 1948 een kamer krijgt in een huis van het dispuut Beets aan de Brouwersgracht. Harmsen van Beek wil niets liever dan ook in Amsterdam wonen en aan de kunstacademie studeren. Ze wil dolgraag het huis uit, maar haar ouders weigeren. Deels uit bezorgdheid, deels omdat ze hun dochter thuis nodig denken te hebben. Soms worden er beloftes gedaan en heeft Harmsen van Beek een poosje een kamer. Ze volgt ook lessen aan de kunstnijverheidsschool en zit in de opleidingsklas voor de Rijksacademie. Maar haar vader geeft haar steeds te weinig geld om van te leven. Intussen stimuleert Hooglandt haar om hard te werken, zoals hij zelf ook doet.

Beluister de brief hier

‘Lieve Jan,
[…] Mij is beloofd! let wel door Mamma die zei dat Pappa het had gezegd dat ik, als de transacties in Londen goed aflopen, het volgend jaar in Parijs mag gaan studeren (als ik goed mijn best doe!). Inderdaad geloof ik niet dat er dit jaar nog iets van komt, maar het kan me niets schelen, als ik maar in Amsterdam mag wonen. Maar ik vertel je alles wel als je er weer bent. […] Ik verlang veel naar je, ik weet nog best te herinneren hoe lief je kunt zijn.’

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt, 20 augustus 1946

Intussen gaat het goed met de familie Harmsen van Beek. Vader Eelco mag het tekenwerk van Enid Blytons Noddy doen, een dagelijkse krantenstrip in de Evening Standard en een zeer succesvolle kinderboekenserie in Engeland. Hooglandt wordt steeds meer kind aan huis en komt langzaamaan in de positie van bemiddelaar tussen Harmsen van Beek en haar ouders. Hij moet op haar passen in het gevaarlijke Amsterdam.

 

Breuk in de liefde

Begin 1948 overlijdt vrij plotseling haar moeder, Freddie Langeler, aan kanker. Jan Hooglandt spreekt op de crematie. De vader vervalt in diepe rouw. Hij bestrijdt zijn verdriet door keihard te werken aan zijn vele opdrachten. In hetzelfde jaar vindt Harmsen van Beek een huisje in Amsterdam aan de Binnen Brouwersstraat, om de hoek bij Hooglandt. Maar er komt een breuk in hun liefde. Zij is hem ontrouw met een van zijn vrienden, Witte, die ook in het studentenhuis woont. Er volgt een intense correspondentie tussen Harmsen van Beek en Hooglandt.

Beluister de brief hier

‘Dear Miss,
Gisterenavond ben ik bij je vader en moeder geweest. Jouw escapades in Amsterdam zitten hen wel hoog, hetgeen nog wordt versterkt door je kennis aan de Sierhuizen en mijn kamer op het Oude Kerksplein. Je te willen verliezen in een dergelijke gedegenereerde sfeer is volgens je vader een moedwillig weggooien van je eigenwaarde en, wat voor hem misschien nog kwetsender is, van je opvoeding tot de "10 procent”. En hij gelooft in opvoeding, dat is een deel van zijn principes en dat is logisch, want het deel van je soort is datgene, wat overblijft wanneer je er niet in geslaagd bent om je eigen illusies te verwerkelijken.
En mij verwijten ze toch min of meer dat ik daar ben gaan wonen en beschouwen dat als een smet op je goede naam, want nietwaar, jij bent te kinderachtig en te onnozel (en te lief) en ik ben verantwoordelijk, ik ben een man. […]’

 

Jan Hooglandt aan Fritzi Harmsen van Beek, 27 juli 1947

Beluister de brief hier

‘[…]
Binnen-Brouwerse,
Aanvaard daarom deze brieven, ik zal er mijn best op doen om ze vrij te houden van alle toespelingen en gemeenheden, maar ik geloof toch ook, dat je met mijn eerlijkheid meer gediend bent dan met mijn vleierij.
En nog iets wilde ik je vragen: spreek er niet met me over laat het mij schijnen of ik schrijf aan mijn verloren Annabel Lee, in her kingdom deep down under the sea. Want er schijnt op ons spreken een vloek te rusten.’

 

Jan Hooglandt aan Fritzi Harmsen van Beek, 26 augustus 1948

Beluister de brief hier

‘Lieve Jan,
[…] Het is zo erg moeilijk om het mooi te doen. Ik wil je met alle geweld zeggen dat ik heel erg blij was met je brief en dat je niet moet verdrietig wezen als ik je niet te veel schrijf. […]’

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt, 27 augustus 1948

Beluister de brief hier

‘Lieve Jan,
Ik wil je spreken om je te zeggen, dat mijn manier van doen me spijt. De jouwe begrijp ik niet. Ik ben bereid tot zeer veel als dat je gelukkiger maakt en dat is heus de enige reden waarom ik aarzel om me te binden.
Veel groeten van Fritzi’

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt, Kerstmis 1948

Beluister de brief hier

‘Wisselvallige Kasteelvrouwe,
Als ik nu aan je denk vergeet ik alle onaangenaamheden die tussen ons geweest zijn. jij en jij alleen bent mijn oogappel en aan jou dank ik de beste momenten van mijn leven en de enige ogenblikken van inspiratie die ik ooit bezat. Alle zogenaamde onafhankelijkheid is de belachelijke comedie van een op de tenen getrapte pedant.
Je mag een onmogelijk mens zijn, je bent de enige geliefde en ook je verzet tegen mij is welgedaan en mijn verdiende kastijding omdat ik dacht als een burger met je te kunnen leven. En ik ben je niet gemakkelijk geweest want ik ken mijn capaciteiten op dat gebied, maar je hebt volgehouden aan wat oprecht was.
Fritzi, ik heb enkele zonden in mijn leven gedaan maar geen zo grote als het bewegelijk water van jouw meisjesachtigheid te willen inmetselen tussen de betonnen wanden van mijn prestige. Hoe heb ik mij gevleid eens een artiste tot vrouw te bezitten, hoe heb ik de beste dingen gevreesd als zij het maatschappelijk kunstlicht niet konden verdragen, hoe heb ik met mijn achterdochtige, kleinzielige kritiek je op de rug gezeten, alsof ik een vreemde kanarie gevangen had heb ik eer met je in willen leggen ook tegenover mijn vrienden. In mateloze pronkzucht en behagelijkheid heb ik het hoogste wat jij mij schonk verknoeid. Zeker, ik heb me niet zo gek gedragen, dat is altijd mijn fort geweest, maar in de gedachten was ik je niet waard.’

Jan Hooglandt aan Fritzi Harmsen van Beek, 23 juni 1949

Moeilijke situatie thuis

Harmsen van Beek wordt ziek en moet bij haar ouders in Blaricum worden verpleegd. Achter haar rug om zegt haar vader de huur van de woning aan de Binnen Brouwersstraat op, waarover zij erg boos is. De situatie thuis wordt steeds moeilijker. Haar vader heeft zorgen over haar onhandelbare broer Hein en is voortdurend ontevreden over zijn dochter. Hij woont intussen samen met een huishoudster, Jo, die met haar kind bij hem is ingetrokken. Het botert niet en uiteindelijk gaat Harmsen van Beek bij de familie Colson op Kasteel Groeneveld in Baarn wonen. Hier is een kindertehuis gevestigd, waar ze ‘s ochtends de kinderen helpt verzorgen. ’s Middags kan ze dan naar de kunstacademie in Amsterdam. Intussen probeert ze een baantje te krijgen in het Franse Grenoble om daar haar kunstopleiding voort te zetten.

Kasteel Groeneveld
Beluister de brief hier

‘Dit is een plaatje van Groeneveld en waar het rode stipje is daar woon ik.
Nog steeds heb ik geen bericht uit "la douce France" zodat ik je eigenlijk geen nieuws kan schrijven.
Mille salutations Fritzi’

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt, ongedateerd (eind mei of begin juni 1949)

Naar Frankrijk

Begin augustus 1949 reist Harmsen van Beek per trein naar La Tronche, een dorp vlakbij Grenoble. Ze heeft een baantje gevonden als schoonmaakster in ‘Brise des Neiges’, een meisjespensionaat dat geleid wordt door Madame Regamy.

Beluister de brief hier

‘[…] Ik kan wel huilen van meelij met mezelf. Ik moet de lelijkste misselijkste onpersoonlijkste snertkamers, zalen zeg maar gerust, schoonmaken met een lelijk elektrisch ding, waar ik doodsbang voor ben, en dat me al verschillende malen gebeten en gestoken heeft. Het maakt een lawaai dat horen en zien je vergaat en tijden daarna tril ik nog, zo schudt hij. Maar werkelijk iedereen is heel lief voor me. Werkelijk allerliefst, en vriendelijk is goed. Je moet niet boos zijn dat ik je zo'n klaagbrief schrijf. Laat het niemand merken. Ik geneer me aan zulke armoedige toestanden te zijn overgeleverd. Ik schrijf je nog een betere brief zodra ik me prettiger voel.’

 

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt 12 augustus 1949

Haar oma Trui vindt dat zij er mentaal slecht aan toe is en eigenlijk door Hooglandt overgehaald zou moeten worden niet te gaan. Hooglandt stuurt Harmsen van Beek daarop een aan hem gerichte brief van oma door: ‘Fritzi maakt op iedereen die haar ziet, de indruk van een over haar toeren is en die alleen maar te helpen is met kalmte en rust, en vooral met wat zorgzame toewijding.’

 

Na enige tijd gaat het Harmsen van Beek wat beter. Ze maakt vrienden in het pensionaat, dat ook fungeert als mensa voor studenten. Ze volgt colleges voor buitenlandse studenten. Maar ze verdient zo weinig met het schoonmaakwerk dat ze constant in geldnood is. Ze heeft soms zelfs te weinig te eten. Haar vader gaat op in zijn eigen zorgen, laat lange tijd weinig van zich horen en stuurt ook geen geld. Hooglandt doet dat wel. Het moet clandestien gebeuren in een krant of in een trui, omdat het geldverkeer tussen Nederland en het buitenland aan banden ligt.

Beluister de brief hier

‘Lieve Jan Heb Veel Dank voor Mooie Brief […]
Denk denk denk toch hóe hier maandelijks plus minus f 180,00 aan francs te krijgen. Moet ik naar een chocoladefabriek gaan bv. of contact zoeken met een studenten reisbureau of zo. Overigens: kun jij f 100,- voor me hier heen smokkelen (gewoon Hollands billet, dan ga ik het wisselen in Zwitserland op een dag, smokkel het terug in Frankrijk – en betaal mijn pension. Ik weet me heus geen raad, ik zoek al werk in een fabriek voor zolang, maar iedereen staakt juist op dit vermaledijde ogenblik.
Schrijf nu in Godsnaam per ommegaande of dit een risico is dat je nemen kunt of niet. […] Liefs v Fritzi’

 

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt, ongedateerd (waarschijnlijk 1949)

Eind 1949 gaat Harmsen van Beek met kerstmis naar Blaricum maar neemt zich daarna weer vast voor om in Frankrijk te blijven wonen. Ze wil er geld verdienen met tekenen en probeert op de kunstacademie te komen. Van de Amsterdamse kunstacademie moet er een bewijs van inschrijving worden gestuurd, zodat ze in Grenoble in het derde jaar kan beginnen. Haar vader helpt haar niet. Alle steun komt van Jan, die steeds geld geeft of leent, haar in maart 1950 komt bezoeken en spullen voor haar meebrengt.

Beluister de brief hier

‘Lieve Jan,
[…] Nieuws! Onlangs ingeschreven voor advondcursussen aan Ecole des Beaux Arts. Ik hoop zeer een beurs te kunnen krijgen. Ik ben van plan na een verblijf van 2 maanden in Holland after Pasen, terug te gaan om een beurs te winnen echter ben ik nog allerminst op de hoogte van de gang van zaken op dit punt.
Wel is het is van zeer veel belang dat ik mijn tekeningen hier krijg. Denk er eens goed en lief over na of het je mogelijk is een portefeuille voor me mee te nemen als je komt (je komt toch?)
Oma heb ik gevraagd me sigaretten (ook al is het maar 2 pakjes) te sturen. […]
Laat snel iets van je plannetjes horen. Fritzi’

 

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt, 24 februari 1950

Hooglandt schrijft een dagboekje - in het Frans - over zijn bezoek aan Frankrijk. Hij raakt er daar eens te meer van overtuigd dat hij ‘zijn Fritzi’ kwijt is. Misschien is het dan dat hij achterop haar foto schrijft: ‘she was too young to throw herself under the wheels of happiness’.

En outre, je l’avoue, cela me donne aussi quelque réhabilitation aupres des gens qui m’ont pris mon Fritzi, d’autrefois.
Je l’ai retrouvé, très enthousiaste d’enthousiasme general, géneralement adorée, plus raisonable peut-être sur le sujet de son irraisonabilité. Elle a beaucoup de finesse, mais garde peu de sentiment. […] C’est bien necessaire de me détacher d’elle, de vivre seule de penser independent pour pouvoir la juger pour pouvoir me désinteresser. Mais c’est si insupportable qu’elle deja prend aucune interesse a mon vie, que je fasse, que je pense.

 

(Uit: Dagboek Jan Hooglandt, ongedateerd (1950)

De vriendschap tussen Harmsen van Beek en Hooglandt blijft hecht. In toenemende mate wordt Hooglandt degene die voor haar moet peilen hoe haar vaders stemming is en of hij nu eindelijk geneigd zal zijn haar studie te betalen. Haar verzoeken worden steeds klemmender, maar vader Harmsen van Beek geeft geen gehoor.

 

Een moeilijk huwelijk

Eindelijk kan Harmsen van Beek de directeur van de Académie des Beaux Arts ontmoeten. Hij vindt haar tekeningen prachtig en ze mag direct op de academie komen. Ze is verrukt van de lessen. Maar de geldnood blijft.

 

In 1950 gaat Harmsen van Beek samenwonen met haar minnaar Eric de Mareschal, student Geologie en afkomstig uit een geslacht van oude landadel. Zijn oudere broer heeft het erfrecht over de familiale landbouwgronden: De Mareschal heeft dus geen erfenis te verwachten. Ze hebben het niet breed. Frederike raakt zwanger en haar vader overreedt haar tot een huwelijk, omdat een ongehuwde moeder het in het katholieke Frankrijk moeilijk zal hebben. In de zomer trouwen ze en er wordt feest gevierd in zowel Parijs als Blaricum. Vlak daarna wordt baby Gilles geboren. Aanvankelijk is Harmsen van Beek gelukkig en optimistisch. Jan Hooglandt vindt ook een geliefde: Marcelle Vorstman.

Een jaar later, in 1952, loopt het huwelijk op de klippen. De Mareschal is verwilderd uit de oorlog gekomen en kan geen geld verdienen. Harmsen van Beek onderhoudt het gezin door schoonmaakwerk, maar ook dat geld maakt haar echtgenoot op, evenals het geld dat haar vader bij het huwelijk schonk. Eric verslonst zijn studie, hij drinkt en mishandelt haar. Als de kleine Gilles ook klappen krijgt is de maat vol. Harmsen van Beek ontvlucht hem, samen met het kind. Ze wil scheiden.

Beluister de brief hier

‘‘Lieve Jan,
Vanochtend dan de bedroevende wederkomst in Grenoble - Gilles en ik - Hein is in Parijs gebleven en komt waarschijnlijk per lift na. Het is nu 8 uur in de morgen en ik profiteer maar van de nog niks te doen hebbende om je te laten weten waar we gebleven zijn. Dit lijkt me bij nader inzien werkelijk nog het beste en het zekerste om baas over Gilles te blijven.
Ik heb een kamer in een hotel genomen voor vandaag - dan wil ik Eric daar vragen me te komen halen. Ik wil hem uitleggen wat er gebeurd is en ik hoop, dat hij de enigzins vervelende consequenties ervan zal willen aanvaarden. […] Jij nog hartelijk veel dank voor alle hulpen, oppassingen, gezelschappen enzovoort. Dus voortaan oude adres maar weer, 11 Rue de Cleres. Ik heet voorlopig nog Mareschal.
Dag lieve Jan honderden millioenen groeten van Fritzi en een kleverig zoentje van Gilles’

 

Fritzi Harmsen van Beek aan Jan Hooglandt ongedateerd (voor 20 januari 1953)

Een nieuw hoofdstuk

Na de tumultueuze jaren op Jagtlust, trok Harmsen van Beek zich vanaf 1971 in de luwte van het Groningse Garnwerd terug waar zij nog lange tijd tekende en schreef. Ze had een levendige vriendenkring – waar onder anderen Peter Vos, Judith Herzberg, Alexander Verberne, Therese Cornips en M. Vasalis deel uitmaakten, maar ze ging de publiciteit steeds meer mijden. Tenslotte verbood ze herdrukken van haar werk, waarin ze op een nieuwsgierige en volstrekt eigenzinnige wijze de wereld had bekeken en beschreven.

 

Jan Hooglandt (1926) trouwde met zijn nieuwe liefde Marcelle Vorstman en werd een topman in het Nederlandse bedrijfsleven. Hij was geruime tijd voorzitter van de raad van bestuur van Hoogovens en zat in de raad van commissarissen bij onder meer Shell, Heineken en de Algemene Bank Nederland (ABN). Hooglandt overleed op zijn 82e verjaardag na een lang ziekbed.

 

Lees en luister meer F. Harmsen van Beek
 
1 2 3

Colofon

verhaal en tekst  MAAIKE MEIJER

redactie LEENE COMMUNICATIE

regie hoorspel RENÉE VAN MARISSING

productie hoorspel KlevR SOUNDDESIGN

stemmen SARAH JONKER EN SJOERD MEIJER

 

Bijzondere dank gaat uit naar:

Maaike Meijer, Joost Kircz, Geertje Zwaan, Marcelle Hooglandt en Marianne Selleger.

Zonder hun medwerking was dit verhaal nooit tot stand gekomen.

 

Het volgende verhaal gaat over
Bervoets over Blaman
Een eenzaam avontuur
Lees het verhaal