De wonderbaarlijke
geboorte van Kaas

 

Op 21 januari 1933 reizen Menno ter Braak en Jan Greshoff af naar Antwerpen om Elsschot te ontmoeten. De afspraak vindt plaats in het monumentale Museum Plantin-Moretus, in de werkkamer van Ary Delen, die er conservator is.

Dat de Nederlanders met een speciale Forum-missie op pad zijn, blijkt wel uit wat Greshoff vlak vóór vertrek aan Ter Braak schrijft: ‘Zal het lukken Elsschot te lokken?’ Al is niet precies duidelijk wát ze van hem verwachten.

 

Dit boek is aan U te danken
Het gesprek gaat over Lijmen, zo weten we uit Ter Braaks verslag van de ontmoeting

– ‘hij heeft ons de zotste verhalen gedaan over zijn lijmpractijken’ – en als Greshoff dat boek openslaat, stelt hij hoofdschuddend vast dat Elsschots roman van tien jaar terug dateert.

Die constatering treft Elsschot als een ‘zweepslag’ en zou de directe aanleiding tot het schrijven van Kaas zijn geweest, zo blijkt uit zijn brief aan Greshoff van 16 februari 1933:

Het nieuws bereikt binnen een paar dagen de Nederlandse Forum-redactie. ‘Greshoff [annonceert] juist een nieuwe roman van Elsschot, Kaas, die hij ons aanbiedt. Je ziet dus wel, dat het hoogst noodzakelijk wordt, persoonlijk te compareeren!’ schrijft Ter Braak op 20 februari 1933 aan Du Perron. In een postscriptum voegt hij hier triomfantelijk aan toe: ‘in 14 dagen geschreven, na onze ontmoeting in Antwerpen!’

 

Waar zwangerschap bestaat…
Hoe mooi de anekdote ook is (door één enkele opmerking verbreekt Elsschot zijn tienjarig zwijgen en schrijft in recordtempo een nieuw boek, dat het begin zal blijken te zijn van een vruchtbare periode), er valt wel wat op af te dingen.

 

Volgens Elsschot-biograaf Vic van de Reijt was Elsschot al sinds de dood van zijn moeder in 1926 ‘zwanger’ van het boek. Het opzetten van een eigen zaak en zijn toetreding tot de bourgeoisie hadden hem dicht bij huis de vertelstof opgeleverd. Met het schrijven Kaas bevrijdde hij zich uit de lege, weinig bezielde periode waarin hij was terechtgekomen. En Greshoff? Die hoefde alleen voor de tangverlossing te zorgen.

 

Maar er is nog iets anders. Uit de eerder aangehaalde brief van Ary Delen over Greshoffs radiopraatje blijkt dat de kaasinspiratie in feite al een halfjaar eerder begon:

2
foto's

 

 

‘Hij was van plan geweest niet meer te schrijven (“wat heb je d’er aan?”) maar jouw artikel heeft hem nu weer tot schrijven aangespoord. Hij zal waarschijnlijk iets nieuws beginnen, een verhaal in brieven.’

 

(Ary Delen aan Jan Greshoff)

Een verhaal in brieven
Opmerkelijk in dit citaat is dat Greshoffs artikel Elsschot vooral ideeën voor de vorm van zijn boek aan de hand heeft gedaan: ‘een verhaal in brieven’. Ook in latere brieven legt Elsschot het accent opvallend genoeg niet op de stof maar op de stijl van zijn nieuwe boek, onder meer in een brief aan Greshoff van 3 maart 1933:

Het dramatische van de dingen zit immers niet in wat er gebeurt

maar in den indruk die het gebeurde op den toeschouwer maakt. [...]

Het komt er voor een schrijver slechts op aan zijn persoonlijk tragisch gevoel

(om het even waar het om gaat) zoo in woorden te brengen dat het kan overgaan in de ziel van derden, althans van derden die er bevattelijk voor zijn.

De ideeën die Elsschot in deze brief verwoordt, zou hij niet lang daarna uitwerken in een ‘studietje’ over stijl, dat ‘onder den invloed’ van Kaas was ontstaan en dat later ook als ‘Inleiding’ bij het verhaal zou worden opgenomen. En toeval of niet, een aantal van die ideeën komt ook al voor in Greshoffs ‘Praten over Willem Elsschot’.

 

Bijvoorbeeld: ter illustratie van de passage over ‘het dramatische’ noemt Elsschot in de ‘Inleiding’ het ‘scheppen’ van een blauwe lucht: ‘De toeschouwer moet dadelijk getroffen worden door het merkwaardige blauw van dat uitspansel, zonder dat hem gezegd wordt “die lucht is zeer, zéér blauw”.’ Had Greshoff niet al hetzelfde geconstateerd in zijn artikel toen hij opmerkte dat Elsschot zonder te schermen met de grote woorden van liefde een diepe innigheid wist te creëren?


Een ander voorbeeld is Greshoffs aandacht voor het ‘tragische’ in Lijmen en de rol die het publiciteitsvak daarbij speelt. ‘Alles wat niet direct tot het vak behoort is hier met zorg vermeden, om de werking niet te verzwakken’, schreef hij. In Elsschots ‘Inleiding’ heet het:

‘Wie het slot niet uit het oog verliest zal van zelf alle langdradigheid vermijden omdat hij zich telkens afvragen zal of ieder van zijn details wel bijdraagt tot het bereiken van zijn doel.’

Te bewijzen valt niets, maar als de ontbrekende inspiratie bij Elsschot eerder een vormkwestie dan een inhoudelijk probleem is geweest, dan hebben we niet alleen Kaas maar indirect ook de ‘Inleiding’ aan Greshoff te danken.

 

Elsschot zelf onderschatte de rol van Greshoff allerminst en droeg Kaas aan hem op. Ook kon hij bijna niet wachten om het verhaal aan zijn vriend voor te lezen en diens oordeel te vernemen. De voorlezing vond plaats op 2 maart 1933, op dezelfde locatie als op

21 januari 1933: de werkkamer van Ary Delen in het Antwerpse Museum Plantin-Moretus. Menno ter Braak was er niet bij aanwezig, maar kreeg de volgende dag een verslag van Greshoff:

 

‘Hij [Elsschot] zelf was er bij momenten zóó ontroerd van dat hij de lezing moest onderbreken, anders was hij gaan zitten huilen. Een curieuze kerel!

In kunst mag niet geprobeerd worden
Het schrijverschap van Willem Elsschot

Willem Elsschot (1882-1960) was in het dagelijks leven een gewiekst en succesvol reclameman. Die hoedanigheid kwam hem ook als schrijver van pas. Met verschillende inmiddels klassiek geworden citaten en uitspraken - oneliners en slogans - heeft hij zijn literaire reputatie een aardig handje geholpen. Soms tegen de literaire stroom in. Voornaamste handelsmerk: zijn stijl.

Lees het verhaal
De herontdekking van Willem Elsschot
Willem Elsschot
Een hoopje vuil in de feestzaal
De wonderbaarlijke geboorte van Kaas
Achter de schermen
Het manuscript van Tsjip bestaat niet meer
Nu is Boorman voor ons gered
Hoofdstuk 8
Biografie