Mijn aap schreit

Razendsnel weet Helman zich een naam te verwerven als vooraanstaand Nederlandstalig prozaïst in het interbellum. Hij heeft al veel aandacht naar zich toe getrokken met zijn fel-polemische stukken in De Gemeenschap, en het proza dat hij in afleveringen in het tijdschrift laat verschijnen onder de titel 'Zuid-Zuid-West', brengt hem veel waardering. In 1926 maakt hij met het gelijknamige Zuid-Zuid-West zijn prozadebuut, maar hij heeft dan al een novelle geschreven die pas twee jaar later uitkomt: Mijn aap schreit. Helemaal vrij van de expressionistische invloed van Vlamingen als Streuvels, Sabbe en Vermeylen is de novelle niet, maar verbazingwekkend is de literaire durf, het psychologische inzicht en in wezen ook al de mentale afstand tot het katholieke gedachtegoed die Mijn aap schreit laat zien.

Mijn aap schreit introduceert een jongeman die van een voorbijkomende jager een aapje koopt. Geleidelijk aan lijkt het erop alsof dit aapje in een concurrentiepositie tegenover de ik-figuur komt te staan: het bemoeit zich steeds meer met allerlei zaken en trekt zelfs de aandacht van de moeder en, nog erger, van een vriendin van de ik-figuur. Op den duur werkt hem dat enorm op de zenuwen. Hij krijgt een nachtmerrie waarin hij het apenhoofd met uitgestoken tong tussen de benen van de vriendin ziet. Dan is het genoeg geweest, besluit hij: op een kwade dag serveert hij het aapje een portie zoete rijst met nootjes waardoorheen hij cyaankali heeft gemengd. Het doden wordt bijna als een sadomasochistisch ritueel beschreven.

De aap lag op zijn rug, met handen en voeten gespreid, als gekluisterd op een andreas-kruis. Zijn staart lag recht onder hem, de steel van zijn kop. Een romp had hij niet meer. Schokkend rees zijn buik, en onder zijn borstkas door, gingen de schokken tot naar zijn keel. Vreemde plooien trokken langs zijn bek; zijn tong hing daaruit opzij, blauwachtig-rood.

Helman schetst het samengaan van erotiek en dood als een theatraal gebeuren, begeleid door de zware klanken van een fagot:

Tegenover hem ben ik gaan zitten, en ik heb een trage muziek gespeeld van donkere, dikke tonen, die waren als vette modderbellen welke zwellend komen bersten aan de oppervlakte van een moeras. Roode tonen heb ik geblazen uit de houten buis; ze vielen stuk op zijn kop als overrijpe tomaten, en het roode sap droop langs zijn bek naar een holle echo.

Frank Martinus – de Curaçaoënaar Frank Martinus Arion, schrijver van onder meer de romans Dubbelspel en Afscheid van de koningin – liet in 1977 een psychoanalyse op dit verhaal los in Albert Helman, de eenzame jager. Hij gaat daarin na hoe de aap een spiegeling is van de ik-verteller. Dat het aapje een afsplitsing is van de ik, wordt volgens hem duidelijk in de droom waarin de ik-figuur zich gesteld ziet voor ‘groote spiegelruiten waar duizend apen hun rood vlammend tongetje naar mij uitstaken’. Frank Martinus stelt dat wanneer de jongeman voor Helman zelf staat, het niet anders kan of de met zoveel tederheid beschreven aap staat voor het niet-hanige in hemzelf. De staart van de aap is een ‘perverse orchidee en gestyleerde anus’. ‘Zijn staart was als een priem.’ (p. 62) Het is natuurlijk niet zo heel moeilijk om hierin een fallisch symbool te zien, de rigor mortis van de plaatsvervangende penis. Voor Frank Martinus is het verhaal een symbolische manier voor Helman om zichzelf als migrant in een vreemde omgeving staande te houden.

De antropoloog C.H. de Goeje heeft vermeld dat de aap bij de inheemsen symbool staat voor schuldige nieuwsgierigheid en zorgeloosheid. Die observatie geeft meer zicht op de novelle. Mijn aap schreit draait om de voortdurende afweging van de onderlinge verhouding tussen aap en mens, natuur en cultuur, gevoel en verstand, thuis en ontheemding. De ik-verteller staat zeer ambivalent tegenover de aap, die hem confronteert met de onmogelijkheid gevoel en verstand te combineren. Helman neigt in deze novelle naar het Schopenhauerse gedachtegoed van de mens die door de oerdrift beheerst wordt, zij het dat eerder de twijfel dan de beaming van dat gedachtegoed de overhand heeft.

Stine Jensen heeft dit helder laten zien in een diepgravende analyse van de tekst. Jensen gaat veel van de intertekstuele verwijzingen na, van Thomas à Kempis tot Strindberg en van Schopenhauer tot Oscar Wilde. Zij geeft de Bijbelse subtekst van het verhaal een centrale plaats in haar interpretatie. Zo ziet zij een impliciete vergelijking tussen de aap en Jezus en ontwaart veel parallellen met het lijdensverhaal. De scène waarin de aap vermoord wordt, geschreven in de plechtige taal van Plato’s Phaido, interpreteert zij als een poging van de ik-figuur om zich te bevrijden uit het dilemma van de keuze van een juiste levenswijze: de hiërarchisch hogere positie van de mens boven de aap wordt erdoor bevestigd. Deze overtuigende interpretatie roept natuurlijk de vraag op waarom de katholieke kerk pas bij Helmans roman Serenitas (1930) bezwaar maakte tegen zijn werk en niet tegen het zoveel godslasterlijker en vaker herdrukte Mijn aap schreit waarin Helman vragen stelt over de goddelijkheid van Christus. Ging de tekst de bisschopsmijter te boven?
 

Bronvermelding

Over Mijn aap schreit schreef Stine Jensen diepgravend in Waarom vrouwen van apen houden; Een liefdesgeschiedenis in cultuur en wetenschap (Amsterdam: Bert Bakker, 2002), alsook in het opstel ‘Voorjaar 1928. Albert Helman publiceert Mijn aap schreit. “Aap in het diepst van mijn gedachten”.’ In: Rosemarie Buikema & Maaike Meijer (red.), Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980 (Den Haag: Sdu, 2003, pp. 111-126). Er wordt verwezen naar C.H. de Goeje, Zondvloed en zondeval bij de Indianen van West-Indië. (Amsterdam: Paris, 1948. Koninklijke Vereeniging Indisch Instituut, Mededeling nr. LXXIX, Afd. Volkenkunde nr. 28.)