‘Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben,
Nu opstandig, dan weer gelaten’
‘Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben,
Nu opstandig, dan weer gelaten’
Verder lezen

Net op tijd bijgedraaid

H

et kan haast niet anders, of Bruning moet J.C. Bloem benijd hebben. Voor de oorlog betoonde Bloem zijn sympathie voor het Italiaanse fascisme. Ook de manier waarop de oosterburen orde op zaken stelden leek hem aanvankelijk wel aan te spreken; in een in memoriam over Stefan George presteerde hij het om een vergelijking te maken tussen het symbolische ‘nieuwe rijk’ van de dichter en het Derde Rijk, dat hij omschreef als ‘een bewonderenswaardige schepping.’ 

Het was 1933 – maar in 1938 was er ook nog bewondering voor Italië. Hij werd zelfs lid van de NSB, en Ter Braak rekende hem daarop af; en was daarbij net zo mild en intellectualistisch als tegenover Bruning. Ter Braak beschouwde Bloems flirt met het fascisme als een ‘hobby’ die hij niet ‘au serieux’ nam. Bloem draaide wel net op tijd bij, naar het schijnt vooral omdat hij andere NSB-leden zulke platte, oppervlakkige figuren vond. En toen de Kultuurkamer werd opgericht, meldde hij zich niet aan. 

Tijdens de oorlog vertaalde hij Belle van Zuylen en William Blake, en er verschenen dichtbundels – controversieel werd hij daar niet mee. Hij schrijft enkele gedichten na de bevrijding, waaruit zijn – kalm en fraai verwoorde – dankbaarheid blijkt:

Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben,

Nu opstandig, dan weer gelaten, en niet

Eén van de ongeborenen zal de vrijheid

Ooit zo beseffen.

Zijn afweging (het was het waard, die vijf jaar, om het genot van vrijheid te voelen) getuigt wel van privilege; Van Oudshoorn zou het hem niet snel hebben nagezegd. 

Ondertussen ebt Bloems vreugde al vrij snel weg nadat ontdekt wordt dat zijn assistent op kantoor  aan de kant van de Duitsers had gestaan. Niet dat hem dat persoonlijk nu erg dwarszat, maar het was vooral onhandig. In oktober 1945 schrijft Bloem aan P.N. van Ecyk: ‘Wij maken het goed, maar ik vind het hier onuithoudbaar vervelend. Tot overmaat van ramp is mijn eenige klerk nog “gestaakt”, zoodat ik nu heelemaal de slaaf van mijn baantje ben.’ Maar de aartsconservatieve Bloem verkeert in de luxe omstandigheid dat zijn leven min of meer op dezelfde voet verder kan gaan. Hij was op tijd bijgedraaid en hoefde zich voor de Eereraad niet te verantwoorden. 

Een iets ingewikkelder geval was Wolfgang Cordan, een Duitse schrijver die in Nederland werkte en bevriend was met Simon Vestdijk. Hij vertaalde diens De bruine vriend voor een nazi-uitgeverij en was bovendien lid van de Kultuurkamer. In de laatste oorlogsjaren was hij echter in het verzet gegaan, en na de oorlog werd hij zelfs officier in het Nederlandse leger. Een ongrijpbaar figuur dus, die door journalist Adriaan Venema ‘raadselachtig’ wordt genoemd, en door Vestdijkbiograaf Wim Hazeu ‘een schilderachtige figuur’. 

Wanneer de Eereraad zijn licht gaat opsteken in Nederlandse literaire kringen, wordt men ook niet veel wijzer. En niet iedereen wil graag praten. Wanneer Jacques Gans het verzoek krijgt om te komen praten over Wolfgang Cordan, scheurt hij zijn oproep in stukken. 

Brief van de Eereraad voor Letterkunde, 15 april 1946, door Jacques Gans in stukken gescheurd

Niet alleen schrijvers moesten het werk herpakken, en werden daarbij kritisch bekeken, ook uitgeverijen kwamen weer op gang. Zo had uitgeverij Contact in de oorlog talrijke opdrachten gegeven aan vertalers die zich niet bij de Kultuurkamer hadden aangesloten, en  die boeken konden nu pas verschijnen. De Bezige Bij had al voor de bevrijding een uitgebreid verschijningsprogramma klaarliggen en fraai briefpapier gedrukt. 

De Bezige Bij en Het lied der achttien dooden

De Bezige Bij en Het lied der achttien dooden

+ Anderhalf jaar voor de (illegale) oprichting van De Bezige Bij verscheen in de zomer van 1943 haar eerste uitgave: het verzetsgedicht ‘De achttien dooden’ van de eerder dat jaar in een concentratiekamp overleden Jan Campert. Philip Huff bekeek de originele rijmprenten in het Literatuurmuseum. Lees hier zijn artikel. -

Ook Querido raapte de scherven bij elkaar; die uitgeverij was hard getroffen met de dood van de Joodse oprichter en naamgever Emanuel Querido in vernietigingskamp Sobibor. De eerste naoorlogse brief aan Martinus Nijhoff werd gestuurd vanaf een ‘tijdelijk’ adres, dat echter bijna 70 jaar zou blijven: Singel 262 in Amsterdam. De zaken werden hernomen: het werk van Nijhoff moest herdrukt worden, en mochten ze zijn Sophocles-vertaling uitgeven? 

Nijhoff reageert aanvankelijk niet. Ook niet op een vervolgbrief waarin hem gevraagd wordt een inleiding te schrijven bij een boek over schilder Matthijs Maris, van Willem Arondéus. Pas na een tweede herinnering reageert Nijhoff. Hij is blij met de herdruk, en is bereid om dat voorwoord te schrijven. Vanaf dat moment is de correspondentie zakelijk als vanouds, en gaat het over honoraria en (vooral) over niet gehaalde deadlines: ‘ik kom u nu in hemelsnaam maar vragen of U überhaupt nog van plan bent de inleiding te schrijven,’ zo klinkt in november 1945 de noodkreet van de uitgever bijna wanhopig. Het boek verschijnt begin 1946, mét voorwoord. Op de titelpagina staat echter ‘1945’, want het boek lag al een paar maanden, vrijwel geheel gedrukt klaar. 

Briefpapier van De Bezige Bij en brief van Querido aan Nijhoff, 8 juni 1945

De Arbeiderspers had weer heel andere problemen. De uitgeverij was voortgekomen uit de SDAP en had een linkse signatuur. Maar aan het begin van de oorlog werd het bedrijf overgenomen door de NSB. Directeur Ybele Geert van der Veen kon niet leven met de concessies die hij moest doen, en pleegde zelfmoord. Redacteur Wiardi Beckman ging illegaal aan de slag, maar werd opgepakt en kwam om het leven in Dachau.

De boeken die in bezettingstijd bij De Arbeiderspers verschenen, waren daarbij opmerkelijk genoeg helemaal niet zo fout. In 1942 verschenen nog twee boeken van communist Jef Last en ook de zesde en zevende druk van Veel groenten van weinig grond. Een handleiding voor ieder, die groenten verbouwt is geen controversiële titel. Toch werkten de productieafdeling en de correctoren nu in feite voor de NSB. Maar je kunt je afvragen in hoeverre je dat mensen kan aanrekenen: dat ze niet onmiddellijk massaal ontslag namen bij hun eigen bedrijf, in zo’n onzekere tijd. 

Een ‘ereraad voor de uitgeverij’ werd niet ingesteld, en het zou nog tientallen jaren duren voor er uitgebreide aandacht kwam voor de houding van uitgeverijen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
 

Volgend hoofdstuk

Alsof er niets gebeurd is

Briefwisselingen tussen tijdschriften, uitgevers en auteurs van vlak na de oorlog zijn vaak even verhelderend als ontnuchterend. Aan een auteur die net drie maanden terug is uit Dachau wordt gewoon gevraagd waarom hij zijn manuscript niet heeft ingeleverd.

Hoofdstuk openen