‘Angstwekkend. In één week Fl. 50,- uitgegeven voor… twee zakjes brandhout!’
‘Angstwekkend. In één week Fl. 50,- uitgegeven voor… twee zakjes brandhout!’
Verder lezen

Fout of een kwestie van overleven?

O

p 12 september 1945 schrijft Jan Koos Feijlbrief (de echte naam van schrijver J. van Oudshoorn) in zijn dagboek: ‘G. belt op en zegt, hem als referentie in zijn uitgeversmoeilijkheden te hebben opgegeven. Twee heeren doen in zijn buurt nasporingen, of hij al dan niet “onzuiver” was. Deze “heeren” kunnen dus ook hier worden verwacht.’ 

Het tekent de sfeer, het gevoel van dreiging waarmee sommige schrijvers te maken krijgen – maar in dit geval moet gezegd: Van Oudshoorn had wel enige reden zich zorgen te maken. De ‘G.’ die hij noemt is Robert John Goddard, die in de oorlogsjaren de nationaalsocialistische uitgeverij Oceanus leidde. Van Oudshoorn had een vertaling voor hem gemaakt, die overigens nooit werd gepubliceerd. Wel was er in de oorlog een boek van hem verschenen (Achter groene horren). Hij was daar blij om, wat begrijpelijk is voor een niet erg gefortuneerde schrijver, maar hij had zich er wel voor bij de Kultuurkamer aangesloten. 

Maar zijn naoorlogse reputatie hield hem in de maanden voor de bevrijding totaal niet bezig. Elders in het land waren schrijvers alweer bezig met de toekomst, maar Van Oudshoorn deed tijdens de hongerwinter weinig meer dan overleven. Elke aardappel kost hem te veel geld, en het maakt hem depressief: 

Zeer mat – FL 10.- voor een kistje van bleeke kasaardbeien. Fl 20 – zegge twintig gulden voor één kilo nieuwe aardappel en dat liefst zonder bon! Kan het erger wat betreft de uitbuiting door de Hollanders van hun eigen landgenooten!

Landverraad, zo beschouwt hij de handelsmentaliteit van de Nederlander. En om de financiële zorgen het hoofd te kunnen bieden, meldt hij zich aan als vertaler (op 26 april). Juist dat zou hem na de oorlog kwalijk genomen worden. Vertalen was misschien nog wel erger dan doorschrijven. 

J. van Oudshoorn

Van Oudshoorn leeft bij de dag. Geruchten over het einde van de oorlog maken hem maar nauwelijks minder bezorgd. Hij schrijft het nieuws over de dood van Hitler met grote letters in zijn dagboek, maar dat hij verloren gewaande voedselbonnen terugvindt, waarmee hij aardappelen, soep en pudding kan halen, is die dag veel belangrijker. 

Op 7 mei is het ook voor hem vrede. ‘Overal worden vlaggen uitgehangen’, stelt hij vast maar onmiddellijk daarna ook: ‘geen brood en aardappelen meer’. Tot zijn ontzetting gaat de ellende die eerste maanden voor hem gewoon door. Hij schrijft over de kwaliteit van het eten uit de volkskeuken, en de prijs van basisbehoeften: ‘De toestand wordt opnieuw hopeloos!’ schreef hij op 19 juli 1945. ‘Angstwekkend. In één week Fl. 50,- uitgegeven voor… twee zakjes brandhout!’ Van Oudshoorn ervoer de ‘echte sensatie van vrede’ pas op het moment dat de elektriciteit het weer deed. En dat was in augustus. 

Tegelijkertijd met de elektriciteitsvoorziening komt ook het culturele leven weer op gang, zij het langzaam. En uit het feit dat Van Oudshoorn een krantenknipsel in zijn dagboek opneemt waarin het gaat over de ereraad, geeft aan dat hij de problemen wel ziet aankomen.

Krantenknipsel uit het dagboek van Van Oudshoorn: ‘Letterkundigen die de bons krijgen’

Het gaat te ver om te zeggen dat hij tussen hoop en vrees leeft, zoals Henri Bruning of andere schrijvers die ernstig fout waren geweest. En hij is ook niet strijdbaar en optimistisch, zoals Vestdijk of Van Duinkerken, die zo snel mogelijk weer aan de slag gingen. Maar Goddard had gelijk gekregen toen hij Van Oudshoorn waarschuwde dat hij ook op belangstelling van deze ‘heren’ kon rekenen: in februari 1946 krijgt Van Oudshoorn het verzoek om te getuigen voor de Eereraad. 

Zijn belangrijkste verdediging bestond eruit dat hij mens en schrijver uit elkaar wenste te houden, en zo reageert hij ook – in zijn antwoordbrief spreekt hij het vermoeden uit ‘dat het Uwe bedoeling is, met den auteur J. van Oudshoorn van gedachten te wisselen’. En hij gaf dus ook al aan dat de aanmelding bij de Kultuurkamer alleen voor “J. van Oudshoorn” bedoeld was, maar dat dat niet mogelijk bleek, ‘omdat men voor van Oudshoorn natuurlijk moeilijk het ariërformulier kon gaan invullen’. Daarom had er toch zijn echte naam ‘Feijlbrief’ in die papieren gestaan. 

Ook moest de commissie het niet zo zwaar oppakken, dat had hij zelf ook niet gedaan: ‘Overigens nam ik die akelige Schouw [het tijdschrift van de Kultuurkamer] niet au serieux, zooals ik ook de NSB nooit au serieux heb genomen.’ Zijn verdediging komt er uiteindelijk op neer dat hij erg afgezonderd leefde, en pas na de oorlog hoorde dat er zoiets als ‘illegaliteit’ bestond, en dat hij ‘alles gedaan heeft om dat hij onder zeer benarde omstandigheden leefde, en hiervoor een oplossing trachtte te vinden’, zo citeert Wam de Moor in zijn biografie. 

Op het wegwuiven werd hij niet afgerekend, en zijn tweede argument slaat zelfs aan; het keert letterlijk terug in het vonnis, en wordt daar genoemd als ‘verzachtende omstandigheid’. Heel fout was hij niet, maar wel ‘weinig principieel’. Hij kreeg een publicatieverbod van nog een halfjaar en het besluit werd stilgehouden. Hij mocht niet mopperen. Tenminste, niet dáárover. 

 

Volgend hoofdstuk

Van veelbelovend naar fout: Henri Bruning, deel 2

Bruning was een van die schrijvers die vrijwel direct na de oorlog te horen kregen dat ze zich tien jaar lang koest zouden moeten houden. Dat was een hard gelag, om meerdere redenen.

Hoofdstuk openen