Remco Campert
De tijd duurt één mens lang
'90

Op de bühne

Remco Campert, die verlegen van aard is, wil die houding doorbreken door theateroptredens. Met Jan Mulder en Bart Chabot (tot 1991) maakt hij van 1989 tot en met 1996 tournees door het land. Van 1996 – 2006 publiceren Campert en Mulder dagelijks de veelgelezen en –besproken column CaMu. Met Hans Keller maakt hij ook enkele tv-programma’s, onder andere een serie over de Vijftigers.

De jaren 90:

Remco Campert op de bühne

Van 1989 tot en met 1995 trekken Campert, Jan Mulder en Bart Chabot het land in om uit eigen werk voor te lezen. Behalve voor vaste inkomsten, zorgen die reizen voor de zo gewenste regelmaat in zijn leven. Jarenlang vond Remco Campert het moeilijk om op te treden. Hij was nerveus, dronk (te) veel, of kwam soms niet opdagen. Het presenteren van Poetry International deed hem goed, hij kreeg er steeds meer aardigheid in om voor het publiek te staan. In 1989 besluit hij om met zijn vrienden Jan Mulder en Bart Chabot een avondvullend voorleesprogramma te beginnen met als titel Een Voorleesavond Op Niveau.

Deze op papier wat wonderlijke combinatie werkt in de praktijk uitstekend. Afwisselend dragen ze tijdens zo’n avond voor uit eigen werk, af en toe onderbroken door een op oprecht amateuristische wijze gespeelde sketch. Chabot haakt in 1991 af om zelf verder te gaan met Martin Bril en Ronald Giphart. Campert en Mulder trekken zes seizoenen lang met zes programma’s door het land. Het programma in het laatste seizoen heeft als titel: Nieuwe herinneringen.

 

Je voelt een zaal. Je voelt of mensen meegaan of niet. Je kunt het een beetje sturen, dat geeft een lekker gevoel. Je hebt meer contact dan wanneer je alleen als dichter staat te lezen. Ik lees teksten. Ik beweeg me veel vrijer op toneel dan ik vroeger deed. Jan en ik bieden een soort afwisseling. Onze stijlen verschillen sterk – dat houdt de boel op toneel althans levend.

 

Jan Mulder over de tochten met Campert naar de theaterzalen waar ze optreden:

 

Ik vond het altijd heerlijk als Remco naast me zat. Er broeit iets in hem – onzekerheid over het bestaan – en tegelijkertijd is hij de rust zelve.

 

Al die jaren eindigde het programma met ‘Tot zoens’, een column van Campert:

Remco Campert signeert tijdens een schrijversoptreden in het
Letterkundig Museum te Den Haag, foto: Rop de Riet, 2001

 

‘Muy bien, muy bien,’ zegt de winkelier zoals men tegen een kind spreekt dat een eenvoudige optelsom tot een goed einde heeft gebracht. ‘Hel god, hel god,’ echode ik tevreden. En met een welgemoed ‘Tot zoens’ verlaat ik de zaak.

 

Op toer met Tot zoens

In 2009 pakken Campert en Mulder de draad weer op, wederom met Bart Chabot. Campert: ‘Ik miste het theater. Ik zat maar thuis te zitten.’ Met Tot zoens toeren ze opnieuw door het land.

 

Voorlezen vond ik vroeger een hel. In de tijd van de vijftigers, met voorleesavonden, durfde ik nauwelijks m’n mond open te doen. Nu vind ik weinig dingen leuker. Je leert naar het publiek te luisteren. Het publiek is een soort lichaam waar je bewegingen van gaat kennen en dat is goed voor je timing. Op z’n best gaat dat samen: jij en de mensen in de zaal.

 

Eindelijk één met de jazz

De jazz, zeker in de beginperiode, was natuurlijk als ‘De Vijftigers’: experimenteel. Nog in 2010 is deze parallel voor Campert een inspiratiebron. Hij leest gedichten in een programma met altsaxofonist Benjamin Herman.

 

Ik voelde een soort verbondenheid. Het idee dat je tegen de klippen op werkt aan iets dat niet iedereen apprecieert. Waar ik jazzmusici vooral om benijdde was dat ze samen iets maakten. Als dichter trad je in die tijd nooit collectief naar buiten, je stond nooit eens met zijn vijven op het podium.

 

CaMu

Vanaf 2 januari 1996 schrijven Remco Campert en Jan Mulder 3234 columns (CaMu) voor de voorpagina van de Volkskrant. De redactie is aanvankelijk wat huiverig omdat Campert het in het verleden soms heeft laten afweten met zijn toen nog wekelijkse column, maar de samenwerking met Mulder dwingt hem tot regelmaat, die hem steeds meer bevalt.

Remco Campert in een café (waarschijnlijk De Rode
Hoed in Amsterdam), foto: Hans Vermeulen, 1997

 

Toen ik begon, dacht ik: die voorpagina die staat vol met zwaarwichtige dingen, er moet ook wat luchtigs op. Het geeft een beetje structuur in mijn leven. Ik heb er meer discipline door gekregen. Jan heeft dat van zichzelf en ik wil niet voor hem onderdoen wat dat betreft.

 

Mijn persoonlijkheid vind je vooral in mijn columns. Als je mijn stukjes allemaal achter elkaar zou lezen, wat ik niemand aanraad, dan zie je één vent, één mannetje.

 

Ik ben niet aangenomen om de hoofdartikelen te schrijven op de voorpagina. Het moet een beetje luchtig blijven, maar in het scharrelgedoe in Den Haag gaan altijd rare uitspraken verscholen. Ik erger me bijvoorbeeld aan zinnen die niet worden afgemaakt. Minister Jorritsma die zegt: dan heb ik zoiets van….Ja van wat dan? Taal die zo verwaarloosd wordt, wijst op slordige gedachten.

 

Deborah Wolf

In zijn columns voert Campert haar steevast op als ‘degene die ik liefheb.’ Diverse gedichten draagt hij aan haar op, waarvan ‘voor Deborah’ uit de bundel Theater (1979) het bekendste is:

Als ik doodga
hoop ik dat je erbij bent
dat ik je aankijk
dat je mij aankijkt
dat ik je hand nog voelen kan.

Dan zal ik rustig doodgaan.
Dan hoeft niemand verdrietig te zijn.
Dan ben ik gelukkig.

 

‘voor Deborah’ uit Theater

 

Op 5 januari 1996 trouwt Campert met Deborah Wolf. Hij heeft dan al vijftien jaar met haar samengewoond. Ze gingen in de jaren 80 uit elkaar, maar brachten vaak de zomers in Noord-Frankrijk door in hun gezamenlijke buitenhuis.

 

Later werk

Publiceert Campert in de jaren tachtig al veel, vanaf de verschijning van de roman Gouden dagen in 1990 is hij productiever dan ooit. Gedichten, verzamelde columns, een tv-documentaire over de Vijftigers, het Boekenweekessay en een aantal novellen en romans – het lijkt soms alsof Campert de eeuwige jeugd heeft.

 

In 1995 wordt zijn poëzie, voor Campert zelf het meest wezenlijke deel van zijn werk, verzameld in Dichter. Nadien komt er nog een aantal belangrijke bundels uit zoals Ode aan mijn jas (1997), Over en weer (2004) met Cees Nooteboom, Nieuwe herinneringen (2007), Een oud geluid (verschenen op Gedichtendag 2011) en Licht van mijn leven (2014).

 

Jas

In een aan Campert gewijde tentoonstelling (najaar 2000-voorjaar 2001) is zijn regenjas te zien. Na afloop van de expositie schenkt hij de ‘tot een object geworden jas’ aan het museum.

 

Lamento

Eén van Camperts bekendste gedichten is ‘Lamento’, aanvankelijk geschreven als poëtische begeleiding bij muziek, maar later door de dichter vaak met veel elan en ingehouden emotie voorgelezen. Hoe populair Campert nog steeds als dichter is in het nieuwe millennium, blijkt ook uit het succes van de bloemlezing Kus zoekt mond (2000).

Schrijven is mijn adem. Ik kan mij het leven niet voorstellen zonder.
Wat is het geheim van Campert?

Na verschijning van Gouden dagen publiceert Carel Peeters een grote beschouwing onder de titel ‘Wat is het geheim van Remco Campert?’ Het lukt hem niet om een antwoord op die vraag te formuleren, en hij is niet de enige. Al ruim zestig jaar prijzen critici het werk van Campert, maar hoe de kwaliteit te duiden, blijft voor velen een bezoeking. De lichtheid van toon? De milde ironie? De zucht tot pastiche? Het belachelijk maken van gewichtigdoenerij?

 

Uiteindelijk schrijft Peeters: ‘Je leest wat hij schrijft, het helpt je voort, je vergeet het, maar ondertussen kom je er wel mee waar je moet zijn. Het is ook haast ondoenlijk om een roman over ‘gedurig geluk’ te recenseren. Het is zoals zo veel werk van Campert een tekst die je moet lezen, die je moet ondergaan als een verbleekte herinnering.’

 

Niettemin zijn woorden de enige werktuigen waarover de memoiresschrijver (hoe onbedreven ook in de nobele kunst van het schrijven) beschikt teneinde het materiaal dat hij put uit zijn op zichzelf vaak al wispelturige en onbetrouwbare geheugen de vurig gewenste vorm te geven.

 

Poetry als onderwerp

Hilarisch van toon is de novelle Ohi, oho, bang, bang of het lied van de vrijheid (1995) waarin hij het reilen en zeilen rondom een poëziefestival beschrijft met de nodige reminiscenties aan het door hem vaak gepresenteerde Poetry International.

 

Menno nam zijn kamersleutel in ontvangst. Terwijl hij naar de lift liep hoorde hij hoe Stefanie Stoepier begon te regelen dat ze Don Flurry’s kamer zou delen (..) En soms, maar dat was meestal in de namiddag, viel het weerloze kreunen en kermen te beluisteren dat op het bedrijven van de liefde wees, hoewel het evengoed een geval van mishandeling zou kunnen betreffen.

Zelfportret van Remco Campert getiteld 'Woest hoofd' 2000

 

2000. Vanaf dit millennium meer autobiografische elementen

In romans en novellen zoals Als in een droom (2000), Beschreven blad (2001), Een liefde in Parijs (2004), Het satijnen hart (2006) en Hôtel du Nord (2013) wordt vaak vanuit het perspectief van een ouder geworden man, dikwijls een kunstenaar, gereflecteerd over belangrijke en bepalende momenten in het leven. Campert vlecht dromen en herinneringen ineen tot een zinvol geheel, waarin zelfs het meest minieme detail ertoe doet. Vaak zijn de alinea’s doortrokken van een milde tragiek, een staat van bewustzijn die Campert perfect kan verwoorden.

 

In Het satijnen hart staat een passage die typerend genoemd kan worden voor de houding van veel hoofdpersonen in het latere werk van Campert.

 

Wat ben ik niet allemaal kwijtgeraakt of heb ik geweigerd te bezitten, terwijl het me toebehoorde. Ik heb veel in mijn leven veronachtzaamd. Het kwaad is geschied, het is nu te laat om daar nog sentimenteel over te worden, maar toch voel ik de spijt als een steekvlam in me oplaaien. Ik vervloek de kunst, het idee dat die belangrijker zou zijn dan al het andere, de ijdelheid ervan, de innerlijke pochhanzerij, het egocentrisme dat me zelfs belette om kinderen te verwekken en als een vader voor ze te zijn.

Anno nu

Dat Remco Campert zich in het late najaar van zijn leven bevindt, laat hij zijn lezers vrijwel wekelijks weten. Hij schrijft zich ‘naar de dood toe’, maar keer op keer lijkt hij te denken: nog maar even niet. In zijn column in de Volkskrant haalt hij herinneringen op aan vroeger, citeert hij geliefde gedichten, ‘miezemuist’ over zijn wankele staat en de schilfers licht en geluk die hem nog toevallen. Najaar 2015 krijgt hij uit de handen van Koning Filip van België de Prijs der Nederlandse Letterkunde, de hoogste onderscheiding in het Nederlandse taalgebied.

 

Campert over schrijven

Kunstenaarschap is een ontzettend egocentrische aangelegenheid. Schrijven is een geldbron, maar vooral een levensbron, die beschermd moet worden. Het schrijven ben jezelf en dat stelt hoge eisen aan contact met anderen. Het moet jou uitkomen.

 

Het is nooit de bedoeling geweest om een oeuvre te starten. De gedachte dat ik een soort monument zou maken, “voetsporen in de tijd” zoals Mulisch dat noemde, zou mij zo bezwaren. Ik schrijf niet om onsterfelijk te worden. Ik wil het nú doen. Die andere tijd waarin ik iets zou betekenen ken ik niet.

Stilte is het hoogst bereikbare in de poëzie, maar om die stilte te benaderen, heb je woorden nodig. Pas als je je laatste woord hebt gesproken is de rest silence. De dood volmaakt het gedicht.
slot van de column ‘Poëzie’ in de Volkskrant, 30 mei 2015
Het volgende verhaal gaat over
Fritzi Harmsen van Beek
Hemelse mevrouw Frederike
Lees het verhaal

Colofon

tekst DAAN CARTENS EN DICK WELSINK

redactie SANDER VAN MUIJEN - ZINMAKER

illustraties RAFAEL VARONA