K. Schippers (1936, pseudoniem van Gerard Stigter) kende Henk Bernlef uit Amsterdam-West, het stadsdeel waar ze opgroeiden. Ze kregen op het lyceum Nederlands van Rob Nieuwenhuys, groot kenner van de Indische letteren, die hun belangstelling voor literatuur sterk aanwakkerde. In 1958 richtten ze samen met G. Brands het tijdschrift Barbarber op, waarvan tot 1972 87 edities verschenen in een langwerpig formaat. Het unieke blad richtte als het ware een loep op de werkelijkheid. Behalve de redacteuren publiceerden ook dichters als Jan Hanlo en Chr.J. van Geel met grote regelmaat bijdragen. Vaak ging het om alledaagse teksten die door het isoleren van regels of een aparte frappe een poëtische lading kregen. Het uitgangspunt van Barbarber verwoordden Schippers en Bernlef als volgt:

De overtuiging dat alles materiaal voor de poëzie kon zijn, de tendens dat materiaal meer voor zichzelf te laten spreken, de eigen persoonlijkheid en problematiek zo weinig mogelijk of in ieder geval zo indirect mogelijk op de voorgrond te laten treden.

Uit: Een cheque voor de tandarts, 1967

Het tijdschrift stopte, werd een monument in de literatuurgeschiedenis, de poëzie van Bernlef veranderde geleidelijk van toon en karakter, maar de vriendschap tussen de redacteuren en met name die tussen Schippers en Bernlef bleef, een leven lang.
In 2015 verscheen Voor jou, een bundel samenhangende verhalen van K. Schippers over het jaar 2012. Hij leefde grotendeels in Brussel, waar hij workshops gaf aan filmstudenten, reisde naar Straatsburg voor een tentoonstelling over de door hem bewonderde Theo van Doesburg, bezocht in de Morvan een model van de schilder Balthus en reisde naar Florida en Barcelona. Bewegingen, geografische reizen, maar vooral door zijn herinneringen en verbeelding. Schippers de kijker, altijd ‘in’ voor het onverwachte, het burleske, het speelse.

Intussen zijn z’n vrienden Brands en Bernlef ernstig ziek. Hun ziekte en overlijden vormt de rode draad door de verhalen. Schippers spreekt ze toe, alsof ze bij hem in de kamer zitten. Hij beschikt over twee fotorolletjes van hun laatste samenzijn met z’n drieën in Waardenburg, waar Brands woonde. Schippers aarzelt om ze te laten ontwikkelen, doet dat na enig aandringen van zijn vrouw Erica (tweelingzus van Eva Hoornik, de vrouw van Bernlef) toch. Samen bekijken ze de foto’s: ‘"Het is net of je bent weggelopen," zegt E. "Waar zie je dat aan?" "Voor de dood. Die stoel tussen hen is leeg."’ Brands ‘verdwijnt’, zoals Schippers het overlijden noemt, en de crematie wordt bij hem ‘verbranding’.

Bernlef leeft nog, Schippers wordt gemaand hem met enige spoed in Amsterdam te bezoeken, hij maakt een afspraak, maar komt te laat, zijn vriend Henk is al ‘verdwenen’. Acht uur later ontvangt Schippers een mail: ‘Heb je voor mij de naam, het adres en eventueel het e-mailadres van die jazzwinkel waar je Pee Wee Russell hebt gekocht? Ik wil mijn platen en cd-collectie jazz aan hen aanbieden.’ Schippers is flabbergasted. Een mail van Henk, acht uur na zijn dood….!

Heeft de computer zich vergist? Die sjoemelt niet met data, wat zou het voordeel voor hem zijn? Ontzettend jammer dat ik het Henk niet kan vertellen. Hier had hij van genoten. Precisie die onderuit wordt gehaald.

Uit: K. Schippers, Voor jou, 2015

Het laatste verhaal ‘Blanke kaart’ is even groot als ontroerend. De vrienden stappen in een luchtballon, stijgen op en gooien ‘ballast’ overboord: ‘duizenden namen van redactieleden, dwarrelend in de wind, mislukte amateurkiekjes, met zorg uitgezochte behangstalen. Dozen met prentbriefkaarten (..)'  Ze zien de kust van Noord-Holland, de streek die Bernlef  ‘geestgronden’ noemde:

Bijna drijft de kust rechts het beeld uit, vervagen de lengte- en breedtegraden en verdwijnt ook de Noordzee. Het zijn de laatste overbodigheden op een blanke kaart die ons geen richting voorschrijft, geen kant meer op dwingt.

Uit zicht, Schippers’ vrienden zijn verdwenen, maar hij blijft met ze ‘in gesprek’.