Het beertje Pippeloentje

Group 4 Created with Sketch.
Luister naar het versje
Kijk, het beertje Pippeloentje
heeft geen sok en heeft geen schoentje,
heeft geen dasje en geen boordje
en geen tasje met een koordje
en geen broekje en geen jakje
en geen pakje met een zakje
en geen hemdje en geen wolletje
en geeneens een parasolletje
en geen ponnetje voor in bed,
maar
Pippeloentje heeft een pet!
 
Kijk, het beertje Pippeloentje
gaat niet wandelen in ’t plantsoentje
en niet steppen op een stepje
en niet scheppen met een schepje
en niet knikkeren en niet tollen
en niet hard de straat op hollen
en niet schrijven en niet rekenen
en geen bere-poppetjes tekenen,
en niet roetsjen van de trap.
maar
Pippeloentje eet z’n pap.
 
Geef ’t beertje maar een zoentje:
Welterusten Pippeloentje!
Bekijk het hele versje

Pippeloentje, het beertje-met-de pet, heeft een eigen status binnen de kinderversjes. Niet alleen omdat het voor een jongere doelgroep is geschreven dan de andere versjes die Schmidt publiceerde op de kinderpagina van Het Parool (namelijk peuters), maar ook omdat het beertje in de loop der jaren nog verschillende keren zou opduiken in nieuwe versjes en zou uitgroeien tot een geliefd personage. 

Toen de eerste Pippeloentje op 19 augustus 1950 in de krant stond, tekende Wim Bijmoer hem als stoere beer met kapiteinspet achter een tafel met een kommetje pap. Het beeld – en dat van alle latere Bijmoer-Pippeloentjes – zou zich zó vastzetten in hart en hoofd van Schmidt-minnend Nederland dat een nieuwe Pippeloentje 33 jaar later leidde tot withete verontwaardiging.

De nog jonge Jan Jutte (1953) was zich nauwelijks bewust dat Bijmoer het eigenzinnige beertje al eerder op papier had gezet, maar recensenten reageerden geschokt en verweten uitgever en illustrator een tijdelijke hartverzakking: zó zag hun beertje er toch niet uit, zo met al die arceringen en dan óók nog in kleur! Nog in 1991 constateerde critica Bregje Boonstra: ‘Groot worden met Annie Schmidts versjes betekent […] dat de zwarte, enigszins hobbelige en eigenzinnige lijnen van Wim Bijmoer op het netvlies gegrift staan.’ 

Voor Jutte betekende Het beertje Pippeloentje zijn debuut. In Tekenaars – kinderboekenillustratoren geportretteerd bekende hij dat hij het eigenlijk nog niet zo goed wist, toen. Het liefst had hij lang geoefend en een uitgebreid referentiekader opgebouwd alvorens de wereld versteld te doen staan met een schitterend boek, maar zo werkte het niet. Jutte schilderde het beertje met aquarel in transparante kleuren, een aaibaar figuurtje, meer kind dan beer, en baande daarmee de weg voor de Pippeloentje van Harrie Geelen elf jaar later, die hem nadrukkelijk presenteerde als peuterbeer. 
 


Ondertussen mocht Jutte nog verschillende keren in de herkansing: twee keer met zwart-witillustraties in Een visje bij de thee (1983) en Ziezo (1987) en een derde keer in kleur in een educatieve uitgave van Zwijsen, De Poedelman (1998). Een iconisch beeld zou daar echter niet tussen zitten. 
 

Dat ontstond pas weer in 1994, toen Harrie Geelen zich over Pippeloentje boog. Het beertje dat op het omslag uit een boom valt, pet los zwevend tegen een grof gepenseelde blauwe hemel, kreeg een eigen poster die klaslokalen en kinderkamers door het hele land sierde, en het boek waarin hij figureerde werd bekroond met de hoogste onderscheiding voor tekeningen in een kinderboek, het Gouden Penseel.
 

‘Harrie Geelen heeft van Pippeloentje een echte kleuter gemaakt,’ schreef Lieke van Duin in 1994 in Trouw. ‘Uiterlijk nog altijd een beer, een parmantige, vertederende knuffelbeer […], maar hij is menselijker, zit losser in zijn vel.’ Geelens robuuste gouacheschilderingen met zichtbare verfstreken doen denken aan de naïeve schilderkunst van de Cobra-kunstenaars en trokken het personage voorgoed weg uit de hoek van de pen en inkt-illustraties van Wim Bijmoer. 

Hoewel, voorgoed? De Pippeloentje die Noëlle Smit maakte bij twee afzonderlijke versjes in de bundel Ik sta paf! (2012) is dan wel in kleur, maar net als Bijmoers creatie is het weer een echt beertje. Geen peuter of kleuter, maar een Paddingtonachtig personage met een hoed in plaats van een pet. 

En toen was er in 2015 plots weer een héél ander beertje. Fleur van der Weel (1974) portretteerde hem in De geit van dokter Sanders. Het grote dierenvoorleesboek met een Scandinavisch gebreid mutsje met gaatjes voor de oren. Een dreumes, net baby af. Het zou nog twee jaar duren voor dit character was uitgebouwd tot volwaardig prentenboekenpersonage. Pippeloentje (2017) van Van der Weel laat zich bekijken als de biografie van een peuterbeer. 

Op de titelpagina zit hij nog in mama’s buik, waar papabeer liefdevol een vinger in prikt. Wat volgt zijn pagina’s woordloos beeldverhaal waarop het babybeertje wordt gebakerd, verschoond en gewassen tot hij is uitgegroeid tot het kinderbeertje dat zijn beroemde avonturen beleeft. 

‘Pippeloentje is een echte beer, maar tegelijk een overtuigende mensachtige kleuter, en nog altijd ondeugend in de geest van Schmidt,’ schreef Thomas de Veen in NRC Handelsblad. ‘We volgen hem vanaf de wieg, als hij zich loswoelt uit een inbakerdoek en ook als hij ondeugend achter dieren aan zit. De versjes van Schmidt staan wat lukraak door het boek verspreid – de tekeningen bepalen het verloop van het verhaal en het is eigenlijk zinniger om de bekende versjes (‘Kijk, het beertje Pippeloentje / heeft geen sok en heeft geen schoentje’, enzovoorts) op te vatten als illustraties bij de tekeningen.’ 

In 2018 werd Van der Weels boek bekroond met een Zilveren Penseel. Van withete verontwaardiging bij critici en jury’s was allang geen sprake meer. In de eenentwintigste eeuw hebben nieuwe Pippeloentjes evenveel recht op de boekenplanken in Nederlandse kinderkamers als het oerbeertje van Wim Bijmoer. Close-reading van de recensie van De Veen zou zelfs tot de conclusie kunnen leiden dat het belang van de illustraties in het laatste Pippeloentje-boek dat van de tekst overstijgt. 

Verder lezen over

Dikkertje Dap