Willem Frederik Hermans

(1921-1995)
Willem Frederik Hermans maakte het niet alleen zijn personages moeilijk, maar ook zijn collega-schrijvers, opiniemakers, landgenoten en interviewers. Het gevoel van miskenning en achterstelling, het wantrouwen ten opzichte van zijn medemensen, zelfs zijn vrienden, en het idee dat de wereld volstrekt chaotisch is, zijn thema’s die in zijn hele werk doorklinken.
Vervaardigd 1986
Techniek olieverf op doek
Afmetingen 114 x 89 cm

Willem Frederik Hermans

door Erik van Straten (1954)

Ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag op 1 september 1986 kwam een aantal vrienden van W.F. Hermans op het idee de jarige een geschilderd portret van hem aan te bieden. Hermans had een duidelijke voorkeur: ‘Als ik dan geschilderd moet worden, dan moet het door Erik van Straten gebeuren en door geen ander.’ De opdracht was helder: het moest vooral lijken.

Hermans poseerde zonder mopperen. Van Straten: ‘Ik heb hem expres iets van onderen af geschilderd omdat hij dan een beetje dominerend op je neerkijkt.’

Het portret werd geschilderd en gevernist. Vervolgens werd het doek in de badkamer te drogen gelegd, alwaar een van Hermans’ poezen zijn – inmiddels weggeretoucheerde – pootspoortjes boven ’s schrijvers hoofd achterliet. Hermans was enthousiast over het resultaat: ‘Een meesterwerk! Nu zul je talloze opdrachten krijgen.’ Het portret werd in huize Hermans opgehangen.

Pas na een tijdje ontdekte Van Straten dat de geportretteerde bij nader inzien toch niet zo ingenomen was met zijn portret. Het argwanende, op moedwil en misverstand gespitste hoofd was niet zozeer het probleem. Het probleem zat in de rechterarm; die hing er volgens Hermans bijzonder raar bij. Van Straten: ‘Ik heb de arm zo geschilderd omdat mij te kennen was gegeven, dat het vooral een gelijkend portret moest worden.’

In december 1991 verhuisde het portret naar het Literatuurmuseum om deel te gaan uitmaken van de Hermans-tentoonstelling. Na afloop hoefde het portret niet meer terug naar de Avenue Niel – het museum mocht het houden.

Vervaardigd zonder datering
Techniek Acryl op doek
Afmetingen 74,5 x 59 cm

Willem Frederik Hermans

door Frits Woudstra (1956)

‘1929 tot 1945’ en ‘hier woonde w.f. hermans van’ op dit bonte doek van Frits Woudstra zijn verwijzingen naar het woonadres van Willem Frederik Hermans tijdens de oorlogsjaren. Vanaf 1929 woonde de jonge Hermans – tot hij in 1945 op kamers ging – met zijn ouders op de Eerste Helmersstraat 208, driehoog. Het was de arme kant van het Amsterdamse Vondelpark, dat een hoeden- en een pettenkant kende. Zijn ouders zouden er altijd blijven, ‘zoals een kanarie die soms onder in zijn kooi zit en soms bovenin, blijft waar hij is.’

Alle straten in deze buurt van Amsterdam Oud-West waren volgens Hermans naar zesderangsschrijvers genoemd en hij maakte zijn buurt geregeld tot onderwerp, om niet te zeggen mikpunt van zijn geschreven werk. ‘Mijn school was aan alle zijden door de achterkanten van hoge huurkazernes omgeven. Hun wrakke houten veranda’s hingen altijd vol wasgoed. Het binnenplein waarop de school stond, was bestraat met klinkers en omringd door een schutting die naar rottend hout stonk.’

De roman Ik heb altijd gelijk speelt zich af tijdens de chaotische eerste dagen van de Duitse bezetting, toen Hermans zus Corry en neef Piet Blind, met wie zij een verhouding had, een eind aan hun leven maakten – in de roman heten zij Debora Stegman en Leendert Middelbos.

Veel van Hermans’ werk heeft de oorlogsjaren als thema: De donkere kamer van Damokles, De tranen der acacia’s en Het behouden huis worden nog altijd veel gelezen. Minder bekend is dat Hermans ook dichter was: in 1944 bracht hij clandestien in eigen beheer zijn eerste bundel uit: Kussen door een rag van woorden.

Vervaardigd 1995
Techniek Gegutst in verf
Afmetingen 60 x 60 cm

Willem Frederik Hermans

door Joop Rubens (1941)

Het is 27 april 1995. Beeldend kunstenaar Joop Rubens werkt in zijn atelier aan een portret van Willem Frederik Hermans. De radio staat aan. Dan komt het nieuws binnen dat de schrijver op 73-jarige leeftijd aan longkanker is overleden. ‘Een gedenkwaardig moment’.

Na een carrière als artdirector in de reclamewereld besloot Rubens verder te gaan als beeldend kunstenaar. Hij exposeerde onder meer in het Van Gogh Museum, Stedelijk Museum en Museum De Fundatie en won diverse prijzen. Zijn stijl is divers, net als zijn materiaalkeuze. Van olieverf op doek, ballpoint op papier, krassen op mdf. Hij weet zelfs met chirurgisch geplaatste nietjes kunstwerken te maken. Binnen zijn veelzijdige oeuvre heeft het portret steeds een bijzondere plaats ingenomen. Hij zegt: ‘Er bestaat bij het portretteren geen homogeniteit in mijn manier van werken. Elk mens is uniek, vandaar de individuele invulling per personage. Zowel in visie, materiaalgebruik als techniek.’

De portretten die Rubens maakt zijn deels in opdracht, maar hij wil wel iets met de persoon hebben. Hermans heeft hij echter zelf gevraagd om voor hem te poseren. Hij was altijd zeer onder de indruk van diens persoonlijkheid: ‘hij was voor mij een belangrijke tijdgenoot’. Rubens werkt nooit naar model, maar maakt voorstudies en detailfoto’s op een neutrale locatie of bij de geportretteerde thuis, om vervolgens in zijn atelier het portret te realiseren.

In de periode dat hij dit portret maakte,  werkte hij intensief aan een serie gebaseerd op de symfonieën van Gustav Mahler. Hij gebruikte hiervoor graveernaalden en een boormachine op paneel. Zo kon hij letterlijk de diepgang van Mahlers werk vormgeven. ‘Ook bij de realisatie van het portret van Willem Frederik Hermans was dit materiaal een juiste keus,’ vertelt Rubens.

Vervaardigd 1993
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 80 x 110 cm

Willem Frederik Hermans

door Ramon Jan Vet (1958)

Op 5 november 1995 wordt de 25ste verjaardag gevierd van de Stichting Vrienden van het Letterkundig Museum – zoals het Literatuurmuseum toen nog heette. ‘Zo’n jubileum hoort met een tastbaar geschenk gememoreerd te worden,’ aldus schrijver F. Springer, dan voorzitter van de club, op de jaarlijkse Vriendendag. ‘U mag het nog niet zien, al hebt u er wel aan meebetaald.’ Hij laat weten dat hij en directeur Anton Korteweg, in augustus naar Amsterdam waren afgereisd en daar hun keus hadden bepaald op een schepping van de kunstenaar Ramon Jan Vet. Springer: ‘maar ik verklap niet wie er achter dat doek verborgen zit. Laat ik alleen zeggen – en misschien is dat een aanwijzing – dat ik zijn ogen deze middag af en toe in mijn rug voelde prikken…’

Het blijkt te gaan om een portret van Willem Frederik Hermans, die eerder dat jaar was overleden. Vet maakte het al in 1993, uit bewondering voor de schrijver. De kunstenaar volgde een opleiding aan de Rietveld Academie in Amsterdam en haalt zijn inspiratie uit strips en cartoons. Hij karakteriseerde zijn werk ooit als Dutch Pop Art, maar voor het portret van Hermans vindt hij de term hedendaags realisme meer op zijn plaats. Voor hem zijn vooral de ogen van Hermans belangrijk. Het is geen eenduidige blik: we zien hem observeren, weten, amuseren, analyseren. Vet gebruikte bij het schilderen foto's en tekeningen. Als hem gevraagd wordt naar de het Japanse tafereel op de achtergrond, is zijn reactie: ‘Voor de betekenis verwijs ik naar het werk van Hermans. Het is aan de kijker om te interpreteren wat je ziet of wat de betekenis is. Je kunt je dan afvragen of dat waar of niet waar is.’

Vervaardigd zonder datering
Techniek Olieverf op hardboard
Afmetingen 48,5 x 44 cm

Willem Frederik Hermans

door Jopie Roosenburg-Goudriaan (1913-1996)

Schilder Jopie Roosenburg-Goudriaan maakte dit portret naar een iconische foto van Willem Frederik Hermans. Gemaakt in 1961 door Terbjørn Fjellang tijdens een wetenschappelijke expeditie in het onherbergzame noorden van Noorwegen.

‘Na Terschelling ben ik naar de uiterste noordpunt van Europa vertrokken, om aan een geologische expeditie deel te nemen met drie Noren,’ schrijft Hermans in september 1961 aan Gust Gils. Hij beschrijft hoe het gezelschap verscheidene tochten maakt, bepakt met instrumenten voor geologisch onderzoek. Berg op berg af, door moerassen en rivieren. Ieder omhuld door zijn eigen dichte zwerm muggen. Oververmoeid door slaapgebrek vanwege de nooit ondergaande zon in het uiterste noorden van Europa. ‘Ik ben zes kilo afgevallen en draag een snor. Ik heb ook een baard gehad, maar deze heb ik weer verwijderd.’

Deze expeditie vormde de inspiratie voor Hermans’ Nooit meer slapen uit 1966. Hoofdpersoon Alfred Issendorf is een veelbelovende geologiestudent die in het hoge Noorden naar bewijzen van meteorietinslagen zoekt. Zijn ambitieuze expeditie in de toendra van Finnmark moet hem als wetenschapper onsterfelijk maken. Issendorff doorstaat de nodige ontberingen, krijgt geen greep op zijn collega’s en heeft het ook zwaar met de mensvijandige natuur. Nooit meer slapen kan gezien worden als een roman over de eenzaamheid van de mens en zijn vergeefse ambities of als een boek over het vergeefs zoeken naar zingeving: een tot mislukken gedoemde poging de ‘steen der wijzen’ te vinden. Hoe dan ook, het geldt als een van de hoogtepunten uit de naoorlogse literatuur.

Vervaardigd 1966
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 120 x 100 cm

Willem Frederik Hermans

door Alphons Freijmuth (1940)

‘Onder de vertegenwoordigers der oorlogsgeneratie heeft geen schrijver zoveel stof doen opwaaien als W.F. Hermans,’ schreef S. Vestdijk al in 1947. Als criticus zou Hermans al zoveel lieden tegen zich ingenomen hebben dat hij als romanschrijver ‘voorlopig weinig kans schijnt te maken op een behoorlijke behandeling’.

Hermans lijkt hier te zijn afgebeeld in zijn rol als vileine polemist, of verwijzen de tomahawk en verentooi naar zijn eerste roman Conserve, die zich deels afspeelt bij Zuid-Amerikaanse ‘indianen’? Hij schreef het boek al op z’n 22ste, in de bezettingstijd. Door de oorlog en papierschaarste werd het pas in 1947 gepubliceerd.

‘Nee,’ zegt Alphons Freijmuth, ‘niet per se als polemist, ik zie de romanschrijver Hermans als een strijder. Hij is een individualist, een eenling. Ik voel in al zijn werk het lijden in zijn jeugd, en dat herkende ik. Hij kon met zijn woede werken, hij is een bewuste schrijver: de emotie van het verhaal speelt de hoofdrol, en niet de anekdote.’

Freijmuth las heel Hermans’ oeuvre en maakte meerdere portretten van hem, maar Hermans heeft nooit voor hem geposeerd. ‘Nee, dát liet ik wel uit mijn hoofd, hem persoonlijk benaderen, daar was hij veel te groot voor. In Nederland is hij de enige van dit niveau, de enige die zich kan meten met de grote schilders.’

Over dit eerste portret is hij zelf niet tevreden meer: het is te ironisch, te anekdotisch. ‘Juist bij iemand die uit noodzaak iets op een inhoudelijke manier symboliseerde en construeerde moet je dit eigenlijk niet zo doen.’ Hij maakte het in de tijd dat hij naast zijn opleiding aan de Rijksacademie nog kapper was – hij knipte onder anderen Mathilde Willink – en Reinier Lucassen leerde kennen, met wie hij de Vlaams-Nederlandse schildersgroep de Nieuwe Figuratie zou mede-oprichten.

Vervaardigd 1974
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 103 x 113 cm

Willem Frederik Hermans

door Alphons Freijmuth (1940)

Dit portret van Willem Frederik Hermans is er een uit een reeks, een ander exemplaar hing bij een vriendin van schilder Alphons Freijmuth, schrijfster Pamela Koevoets. Het werd daar overigens met een mes aangevallen door haar jaloerse vriend, ‘een mislukte kunstenaar’.

Het werk van Freijmuth wordt gerekend tot de Nieuwe Figuratie – een Lage Landen-variant van de Amerikaanse popart waarbij figuratieve en abstracte elementen worden gecombineerd. Vaak duiken er verwijzingen naar andere kunststromingen op. Zo zijn op dit doek drie Mondriaan-vlakjes te zien. Met het ruitpatroon en in pose en stijl van kleden doet deze Hermans denken aan Freijmuths latere Zelfportret met blauwe wolk uit 1979, zelfs hun gezichten tonen gelijkenis. 'Ja, en wat ik op dat zelfportret met het gezicht heb gedaan, dat groene gezicht, vloeit hieruit voort.’ Het is een heel expressionistisch schilderij.

‘Hermans had een goeie kop, hij was al die gasten van zijn generatie de baas.’ Freijmuth is gefascineerd door de schrijver. Hij vereenzelvigt zich met zijn werk en herleest het nog steeds. Nooit meer slapen blijft favoriet vanwege het thema van de eenling, en de sympathie van de verteller Alfred Issendorf. ‘Een personage als Lodewijk Stegman in Ik heb altijd gelijk heeft een heel ander karakter, daar heb ik minder mee.’

In deze periode publiceerde Hermans zijn romans Het Evangelie van O. Dapper Dapper (1973) en Onder professoren (1975). Ook was hij in 1973 begonnen aan zijn Parool-column onder het pseudoniem Age Bijkaart, waarover Hermans in een interview voor dezelfde krant zei: ‘Bijkaart is eigenlijk een veel gemoedelijker man dan Hermans. Hij houdt zich bezig met alledaagse dingen waarvoor Hermans zijn neus zou optrekken. Bijkaart is Hermans in pyjama, zo moet je het zien.’

Vervaardigd 1966
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 58 x 78 cm

Ontmoeting met W.F. Hermans op de Vischmarkt in Groningen

door Han Jansen (1931-1994)

In 1953 werd Willem Frederik Hermans benoemd aan de Rijksuniversiteit Groningen, eerst als assistent, later als lector in de fysische geografie. Hij promoveerde in 1955 cum laude op een dissertatie over aardlagen in Luxemburg, met Gerard Reve en apotheker-kunstenaar Oey Tjeng Sit als paranimfen. In 1960 verscheen zijn wetenschappelijk werk Erosie, waarover Hermans’ goede vriend, literatuurwetenschapper Freddy De Vree schreef in De aardigste man ter wereld: ‘Wims boek Erosie is niet erg bekend. Het is een didactische uiteenzetting over het fenomeen van de “afknaging, wegvreting” van de aarde, maar als thema sluit het goed aan bij de pessimistische visie van de romancier.’

Aan de universiteit raakte de verhouding met staf, collega’s en studenten verziekt, reden voor Hermans om in 1973 ontslag te nemen en niet alleen Groningen maar ook Nederland te verlaten. Hij verhuisde naar Parijs en in de columns en essays die hij daar schreef voor NRC Handelsblad, Elsevier en Het Parool spuwde hij zijn gal over Nederland en over het universitaire klimaat dat hem belemmerde in zijn wetenschappelijke carrière.

Kunstenaar Han Jansen woonde sinds 1959 in de stad Groningen en zal de schrijver daar vaak hebben gezien. Of ze elkaar ook spraken bij hun ontmoeting op de Vis(ch)markt – vlak bij de universiteit – zullen we niet weten. Jansen, autodidact, schilderde vooral ‘land-, zee- en luchtschappen’. Dit portret met een knipoog naar het kubisme is binnen zijn oeuvre daarom opvallend.

Hermans rookte pijp – zo ook op dit portret – maar bekender werd hij met zijn vaste sigarettenmerk Gauloises. In zijn satirische verhaal ‘De laatste roker’ uit 1990 wordt de bejaarde hoofdpersoon die in het toekomstige Amsterdam van 2021  – waar men alleen nog Engels mag spreken – op straat een Gauloise durft op te steken onmiddellijk gearresteerd en meegenomen voor verhoor.