Nelleke Noordervliet

(1945)

Nelleke Noordervliet debuteerde relatief laat, maar daar stond tegenover dat de waardering vrijwel meteen volgde, en dat met een oeuvre dat het de lezer niet makkelijk wenst te maken. Vaak gebaseerd op de geschiedenis werpt ze een belangrijke morele kwestie op: hoe moet je leven als individu ten opzichte van een collectief? ‘Het gaat om de vraag die je stelt, niet om het antwoord,’ zegt ze daarover.

Vervaardigd 1995
Techniek Inkt op papier
Afmetingen 70 x 50 cm

Nelleke Noordervliet

door Jan Slottje (leefjaren onbekend)

Naar eigen zeggen is Nelleke Noordervliet niet opgegroeid met kunst en literatuur. In haar ouderlijk huis hingen twee schilderijen, een landschap en een scène tijdens het Laatste Avondmaal, en aan boeken hadden ze evenmin een rijk bezit: Merijntje Gijzen en de Bijbel. Des te groter haar waardering inmiddels: ‘Kunst en schoonheid zijn het zout in de pap van het leven. Als het leven ergens zijn zin in blootgeeft – althans dat geldt voor mij – dan is het daarin’. Voor Noordervliet moet kunst iets te zeggen hebben, en is het aan de ontvankelijke lezer, of toeschouwer, om dat op te pikken.

Het kunstwerk is. Het wacht. Het bevat in stilte (zelfs bij muziek) zijn essentie. Het is bereid die af te staan. Het heeft zelfs de behoefte die af te staan. […] Ergens tussen het kunstwerk en de waarnemer, in dat niemandsland en op dat niemandsmoment treffen de frequenties elkaar. Soms trillen ze samen. Hevig. Dubbel. Diep. Dan gebeurt het. We hebben deel aan een geheim. We worden opgetild uit onszelf en krijgen een woordeloos inzicht in leven, liefde, dood. Ja zelfs deze woorden zijn totaal ontoereikend om de ervaring van schoonheid te omschrijven.

Deze woorden zijn iets minder geldig voor de toegepaste kunst die een portret nu eenmaal is. Ze kreeg het schilderij van Jan Slottje ooit opgestuurd, maar kent de maker niet. Het was het enige kunstwerk met haar gezicht erop dat ze bezat: ‘Dat heb ik bij het maken van de Nationale Schrijversgalerij maar aan het museum gegeven. Ik weet dat destijds menig schrijver zich haastig heeft laten portretteren door gerenommeerde kunstenaars. Wel komisch!’