Maarten ’t Hart

(1944)
Het geloof, het ontsnappen aan een streng (gereformeerd) milieu en ‘het anders zijn’ zijn thema’s die geregeld terugkomen in het werk van Maarten ’t Hart. Typerend is een oneerbiedig soort humor, en een nuchterheid die gegrond is in wetenschap. Hij promoveerde als bioloog op het doorkruipgedrag van de driedoornige stekelbaars. Ook in het buitenland, met name in Duitsland en Zweden, is zijn werk geliefd.
Vervaardigd 1993
Techniek Acryl op doek
Afmetingen 120 x 110 cm

Maarten ’t Hart

door Lia Laimböck (1965)

Ze benaderde Maarten ’t Hart in 1993 met een korte brief: ‘Ik ben Lia Laimböck en ik ben kunstschilder. Ik bewonder uw werk, mag ik u portretteren?’ Laimböck las hem sinds de middelbare school. Ook later, toen ze met haar echtgenoot de wereld over reisde om gratis in ziekenhuizen, weeshuizen, getto’s op te treden voor grote groepen kinderen, greep ze ’s avonds vaak naar ’t Harts boeken. Om haar hoofd even stil te zetten en los te komen van de wereld waarin ze op dat moment was. Zijn werk, zo kernachtig en toch beeldend, gaf haar bevrijding en houvast.

Ze had verwacht niets te horen op haar brief, maar ’t Hart reageerde vrijwel direct en een ontmoeting was snel geregeld. In haar enthousiasme ging Laimböck gelijk aan de slag en maakte ze vele foto’s terwijl hij poseerde in zijn tuin, in het groen. Uiteindelijk is daar niets van terug te zien in het portret. Want, zo legt de schilder uit, ze laat, wanneer ze mensen portretteert, ontzettend veel weg. Wel voegt ze toe, elementen die eigenlijk niet kunnen, maar dusdanig geschilderd dat het oog het accepteert. Zo liet ze zijn benen, of eigenlijk één been, als het ware weglopen. Ze gaf hem geen voeten en de stoel waarin hij zit, is eigenlijk niets anders dan een staande rechthoek. Ze wilde dit portret sober houden, zodat de toeschouwer eigenlijk min of meer gedwongen wordt te kijken naar datgene waar het om gaat en dat zijn het gezicht, de handen en de houding, waarin een onderwerp zich per ongeluk blootgeeft.

Vervaardigd 1993
Techniek Acryl op doek
Afmetingen 120 x 110 cm

Maartje ’t Hart - De bruid

door Lia Laimböck (1965)

In 1991 baarde Maarten ’t Hart opzien door op het Boekenbal als Maartje te verschijnen. In de daaropvolgende jaren was hij regelmatig in het openbaar opgemaakt en in vrouwenkleding te zien, maar na 2000 is hij er op verzoek van zijn vrouw weer mee gestopt. Over zijn fascinatie voor vrouwenkleren schreef zijn goede vriendin Mensje van Keulen in 1992 Geheime dame.

Toen Lia Laimböck ’t Hart in 1993 vroeg een portret van hem te maken, liet hij weten ook graag als Maartje verbeeld te worden. Iets waar Laimböck, vanuit haar fascinatie voor travestie, graag gehoor aan gaf. Dan maak ik er twee, beloofde ze. Een voor jou en een voor mij. Uiteindelijk ontstond er een reeks van vijf: één Maarten en vier Maartjes. Laimböcks enthousiasme voor zijn travestie werd nog groter toen bleek dat ze dezelfde schoenmaat hadden. Tijdens het poseren hebben ze eindeloos op elkaars pumps geparadeerd.

Waar Laimböck Maarten zo sober mogelijk heeft neergezet, heeft ze in dit portret, De bruid getiteld, ook het lyrische verbeeld. De lotusbloem staat voor het geven: ‘Maarten geeft veel aan mensen. Het mes eronder staat voor zijn vlijmscherpe kant, die hij ook heeft.’ Rechts is een stukje lauwerkrans te zien. ‘Die wilde ik hem geven omdat hij voor mij de meest unieke schrijver van Nederland is’. De bliksemschicht symboliseert zijn valse kant. Uiteraard wilde Laimböck die hoge hakken en de bruidsjurk laten zien. En het weelderige van zijn benen: ‘Natuurlijk is het een vrouw, maar in tweede instantie word je op een verkeerd been gezet, want als je niet zou weten dat het een man is, dan laten die benen dat zien’.

Van de vijf portretten die Laimböck van ’t Hart maakte, is dit zijn favoriet.

Vervaardigd 1995
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 29 x 24,5 cm

Maarten ’t Hart

door Jopie Roosenburg-Goudriaan (1913-1996)

Dit portret dat Jopie Roosenburg-Goudriaan van Maarten ’t Hart maakte, ademt dezelfde sfeer als het portret dat de schilderes van Adriaan van Dis maakte. Niet alleen zijn de werken beide schetsmatig, enigszins impressionistisch neergezet, ook de setting is vrijwel gelijk: schrijver, met jasje, de kijker beschouwend aanziend. En vooral: omringd door boeken. Het is overduidelijk dat Roosenburg Van Dis vastlegde als de beroemde boekentalkshowgastheer die hij in die jaren was.

Niet veel zullen zich zo levendig herinneren dat ook Maarten ’t Hart enige tijd zijn eigen boekenprogramma had. In 1993 presenteerde hij Tussen dag en nacht van de VPRO, waarin hij wekelijks rondom een bepaald thema drie schrijvers ontving. Hugo Brandt Corstius zei hierover: ‘Maarten ’t Hart kan veel dingen, maar interviewen is daar niet bij. Waar Meijer [= Ischa Meijer] zijn gasten tot loslippigheid tracht te verleiden door een hoog tempo af te dwingen, daar brengt Maarten zijn gesprekspartners in een droomloze slaap door al zijn irrelevante opmerkingen driemaal te herhalen.’ Het programma stopte na een paar afleveringen in december 1993, omdat ’t Hart last kreeg van hartritmestoornissen en het presenteren niet meer aankon. De satirische en absurdistische serie Jiskefet bracht nog een parodie op het programma, met Herman Koch als giechelende Maarten ’t Hart.

Overigens zou Maarten ’t Hart in 2014 opnieuw op tv te zien zijn. De schrijver en gedragsbioloog nam in Maartens moestuin de kijker in tien afleveringen mee naar de kleine, serene wereld van zijn moestuin, een flinke lap grond bij zijn huis aan de rand van Warmond waarop hij al sinds de jaren tachtig uiteenlopende groenten verbouwde. Dit tv-programma paste hem veel beter.

Vervaardigd 1994
Techniek Krijt, potlood en olieverf op papier
Afmetingen 65 x 50 cm

Maarten ’t Hart

door Dorinde van Oort (1946)

Eind jaren tachtig, begin negentig maakte Dorinde van Oort portretten van Nederlandse schrijvers. Die poseerden bij haar thuis terwijl ze hen tegelijkertijd interviewde. Een goede formule, volgens Maarten ’t Hart, die meerdere malen door haar werd geportretteerd. Door het poseren voelt men zich vaak dusdanig opgelaten dat men van lieverlee maar gaat praten. ‘Het verraderlijke daarbij is dat je denk dat Dorinde, omdat zij geconcentreerd staat te tekenen, niet registreert wat je er allemaal uitflapt.’

Voor ’t Hart is poseren voor Van Oort een haast ‘bovenmenselijke beproeving, want elk keer dat ze je zo aankijkt, wil je haar – althans zo vergaat het mij – dolgraag omhelzen.’ Ook op Van Oort maken de poseersessies indruk: ‘Elke ontmoeting had voor mij een intensiteit die aan verliefdheid grensde, onverschillig of het een man betrof, of een vrouw.’

Het resultaat, portret en gesprek, publiceerde Van Oort in het maandblad Elegance en de meeste portretten kwamen in 1994 terecht in Portret aan huis, Nederlandse schrijvers in woord en beeld, waarvan ’t Hart het voorwoord verzorgde. Hij schrijft: ‘Dorinde schuwt het karikaturale en groteske niet; geflatteerd zijn haar portretten vaak allerminst.’ Zelf heeft hij echter nooit moeite gehad met de diverse portretten die ze van hem maakte. Minder gecharmeerd is hij echter van het feit dat ze in het bijbehorend artikel schrijft over een vlek op zijn broek ‘terwijl ik er toch altijd uitzie om door een ringetje te halen.’

Na het verschijnen van Portret aan huis mocht het museum een aantal portretten uitkiezen. En zo verwierf het naast dit portret van ’t Hart (overigens niet het portret met de gewraakte vlek op de broek) ook de beeltenissen van onder meer Maarten Biesheuvel, Anneke Brassinga, Renate Rubinstein en Elly de Waard.

Vervaardigd 1997
Techniek Acryl op hout
Afmetingen 167 x 124 cm

Maarten ’t Hart

door Ine Laurant (leefjaren onbekend)

‘Mijn God’ was het thema van de 62ste Boekenweek en Ine Laurant – die lange tijd verantwoordelijk was voor de aankleding van het Boekenbal – maakte speciaal voor het Feest der Feesten een achttal portretten van schrijvers. Dat Maarten ’t Hart een van de geportretteerden was, is niet verwonderlijk. Sinds zijn debuut in 1971 is duidelijk dat hij grote affiniteit heeft met het thema van de Boekenweek van 1997. Of beter: een grote afkeer.

’t Hart groeide op in een streng gereformeerd gezin in Maassluis en viel in zijn studietijd van zijn geloof. Hij rekende ermee af in een aantal van zijn boeken, zoals de romans Stenen voor een ransuil en Ik had een wapenbroeder, en de verhalenbundel Het vrome volk. Ook in zijn essays en artikelen voor de krant mocht hij zich graag polemisch uitlaten over religie.

Daarnaast schrijft ’t Hart vaak over de moeizame contacten tussen de seksen en de eenzaamheidsgevoelens die daaruit voortvloeien en over zijn grote fascinatie en liefde voor de natuur, klassieke muziek (met name Bach, Mozart en Schubert) en literatuur (vooral vertellers als Dickens, Fontane, Balzac). ’t Hart wordt beschouwd als een conventioneel, verhalend schrijver die vanaf Een vlucht regenwulpen uit 1978 een groot publiek heeft. Veel van zijn boeken werden bestsellers, er zijn miljoenen van verkocht. Voor het geld zou hij niet meer hoeven te schrijven en toen hij in 2017 de J.M.A. Biesheuvelprijs won, ging hij de prijs dan ook niet ophalen. ‘Geef dat maar aan iemand die op een houtje bijt.’