Lodewijk van Deyssel

(1864-1952)
Lodewijk van Deyssel (ps. van K.J.L. Alberdingk Thijm) heeft het grootste deel van zijn werkzaam leven besteed aan het nauwgezet en op stilistisch superieure wijze vastleggen van de dingen die hij had nagelaten te doen, die hij had gedaan en die hij voornemens was te doen. Daarbij maakte hij niet of nauwelijks onderscheid tussen belangrijke en triviale zaken. Voor hem was het een vaststaand feit dat wat hij en zijn generatiegenoten in hun jonge jaren op literair gebied hadden gepresteerd, eeuwigheidswaarde bezat.
Vervaardigd 1934
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 70 x 60 cm

Lodewijk van Deyssel

door Isaac Israels (1865-1934)

Het verhaal gaat dat Lodewijk van Deyssel zich op een dag in een restaurant zette aan een nog lege tafel die was gedekt voor de zangvereniging ‘De stem des volks’. Toen hij daarop aangesproken werd, zei de schrijver: ‘Maar mijn God, kelner, ik ben de stem des volks’. Het verhaal komt van A. Roland Holst, die het weer van horen zeggen had, dus het is vast niet waar, maar het typeert geestig het zelfbewustzijn waarmee Van Deyssel door het leven kon gaan.

Sinds zijn debuut op 17-jarige leeftijd wijdde Van Deyssel zijn leven aan de letteren. Als schrijver en criticus had hij een grote invloed en vanaf zijn zestigste werd zijn verjaardag om de vijf jaar groots gevierd in letterkundige kringen. Zo ook in 1934. Toen de festiviteiten voor zijn zeventigste verjaardag werden voorbereid, besloot een comité dat er een portret moest komen door de beroemde impressionist Isaac Israels, zoon van Jozef Israëls.

Van Deyssel zag hier wel wat in, maar stelde één voorwaarde: hij wilde en profil worden afgebeeld. Israels had hem in 1889 ook al eens geportretteerd, maar tot Van Deyssels verbazing bleek Israels het doek na twee maanden al te hebben overgeschilderd.

Voor dit portret uit 1934 poseerde Van Deyssel diverse malen en elke keer bereidde hij zich fanatiek voor, zowel fysiek als psychisch, om er zo florissant en briljant mogelijk op te staan. In zijn dagboek is haast van minuut tot minuut te lezen welke voorbereidingen hij trof voor de poseersessies: wat hij at, dronk, hoeveel rum, oranjebitter of cognac in de thee (‘geen of weinig suiker en een druppel melk’), en dan ‘met sigaren, cognac, lucifers en ochtendblad’ per taxi naar het station.

Het portret kreeg een ereplaats in zijn kamer. Niettemin liet hij zich in 1944 zeer kritisch uit over het portret: Kees Verwey had hem ook eens geschilderd en bij hem vergeleken ‘is dit observeeren van Israels iets oppervlakkigs’.

Vervaardigd circa 1942
Techniek Olieverf op board
Afmetingen 44,5 x 38,5 cm

Lodewijk van Deyssel

door Piet van Egmond (1889-1965)

Lodewijk van Deyssel maakte deel uit van de beweging van Tachtig – zij het vooral in naam en als pleitbezorger, want de meeste Tachtigers waren dichters en de poëzie beoefende hij niet. Als romanschrijver was hij aanvankelijk veel meer een naturalist, en zijn bekendste werk is een van de belangrijkste boeken van die stroming. In Een liefde uit 1887 wordt het innerlijke gevoelsleven van het hoofdpersonage Mathilde beschreven. Ook haar seksuele gevoelens komen aan de orde en voor het eerst in de Nederlandse literatuur wordt er min of meer expliciet geschreven over vrouwelijke zelfbevrediging. Veel lezers, onder wie ook Frederik van Eeden, zijn geschokt. Onder druk kuist Van Deyssel de tekst voor de tweede editie van het boek. Zevenentachtig jaar na eerste verschijning sloeg Een liefde bij het publiek dermate aan dat het boek tussen 1974 en 1979 maar liefst negen keer herdrukt werd. Overigens inmiddels in een herstelde versie.

Van Deyssel liep meteen tegen de grenzen van het naturalisme aan. Schrijvers als Frans Netscher, klassieke naturalisten, kon hij niet waarderen, en in 1891 verklaarde hij het naturalisme dood in De Nieuwe Gids (onder de titel ‘De dood van het Naturalisme’). Hij schoof steeds meer op in de richting van de mystiek en de symbolistische benadering. Hij wil niet meer puur de werkelijkheid weergeven, maar de ‘hogere’ werkelijkheid achter het direct zichtbare. Van Deyssel zoekt nieuwe uitdrukkingswijzen, een nieuwe ‘woordkunst’ die het ‘hogere’ kan benaderen. Deze methode wordt bekend als het ‘sensitivisme’. De eerste sporen daarvan zijn met terugwerkende kracht ook duidelijk te vinden in Een liefde.

Hier, als Van Egmond hem portretteert, is hij niet langer de jonge hond, de literaire revolutionair, maar een schrijver die zijn literaire sporen ruimschoots verdiend heeft. Vooral de priemende, kritische blik valt op. Van Deyssel was een meedogenloos criticus, die met zijn nietsontziende ‘scheldkritieken’ vele slachtoffers had gemaakt.

Vervaardigd 1961
Techniek Gouache en o.i. inkt op board
Afmetingen 42 x 57 cm

Lodewijk van Deyssel en Willem Kloos

door Hendrik Valk (1897-1986)

Kunstenaar Hendrik Valk maakte dit dubbelportret naar een foto van Lodewijk van Deyssel en Willem Kloos die elkaar feliciteren met hun beider bevordering tot doctor honoris causa in de letteren en wijsbegeerte door de Universiteit van Amsterdam, 27 mei 1935.

Van Deyssel en Kloos kennen elkaar dan zo’n 50 jaar. In 1885 had Kloos met onder anderen Frederik van Eeden en Albert Verwey De Nieuwe Gids opgericht, waarin zij zich verzetten tegen de conservatieve houding van de tijd waarin ze leefden. Van Deyssel raakte al snel nauw betrokken bij deze kring van de zogenaamde Tachtigers; jonge ‘hemelbestormers’ die het l’art pour l’art (de kunst om de kunst) en het individualisme predikten. ‘Wij zijn de Revolutie in de Literatuur,’ schreef Van Deyssel. De Nederlandse literatuur was in één klap in de moderne tijd gebracht.

Het idee van kunst om de kunst bleek echter niet te handhaven. De werkelijkheid vroeg om betrokkenheid, ook van kunstenaars, en veel van de Tachtigers wilden een meer op de maatschappij gerichte, sociale literatuur. Er waren vele conflicten binnen de redactie en Kloos kreeg met vrijwel iedereen ruzie. Even leek het erop dat De Nieuwe Gids zou verdwijnen, maar in 1895 weet Kloos zijn lijfblad nieuw leven in te blazen. Tot zijn dood blijft hij hoofdredacteur.

Hoewel Kloos en Van Deyssel beiden van mening waren dat socialisme en kunst niet samengingen, sloeg ook Van Deyssel een andere weg in. Met Verwey richtte hij het Tweemaandelijksch Tijdschrift op, dat later werd omgedoopt tot De Twintigste Eeuw. Dit blad werd echter in 1909 gefuseerd met De Nieuwe Gids. Als in 1935 de zogenaamde spreekbuis van de Tachtigers 50 jaar bestaat, krijgen Kloos en Van Deyssel, op dat moment de twee redacteuren van het blad, een eredoctoraat.