Lisette Lewin

(1939)
Lisette Lewin was journaliste voor o.a. de Volkskrant, NRC Handelsblad en Vrij Nederland. In 1983 verscheen haar onderzoek Het clandestiene boek 1940-1945 en in 1989 debuteerde ze als romanschrijfster met Voor bijna alles bang geweest, over een joodse vrouw in de periode 1939-1965. De Tweede Wereldoorlog en het verhaal van haar joodse familie bleven belangrijke thema’s. Ze schreef een groot en gewaardeerd oeuvre van romans, verhalen en novellen.
Vervaardigd 2017
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 40 x 50 cm

Lisette Lewin - Bach onder de Palmen

door Willeke van Tijn (1940)

Lisette Lewin en kunstenaar Willeke van Tijn waren buurmeisjes in Den Haag en woonden later gezamenlijk in een huis in Amsterdam. ‘Door haar ben ik na de academie uit Den Haag weggegaan, Lisette woonde in een huisje in de Lepelstraat. We zaten samen bij Politeia, een provo-achtige politieke organisatie. Lisette liep altijd meer voorop, als journaliste. Ze maakte rechtbankverslagen, ging in haar eentje naar Joegoslavië, ik vond dat heel stoer allemaal.’

In 2017 werden de twee geportretteerd in NRC, voor de fotoreeks ‘Opnieuw’: in hun geval werd een jeugdfoto uit 1948 opnieuw geschoten. ‘Lisette woonde met haar vader en stiefmoeder. Haar biologische moeder was verdwenen in de oorlog. Zij kwam graag bij ons en was nogal aanwezig,’ aldus Van Tijn. Haar moeder was zangeres en haar broer Ubo kreeg als getalenteerd musicus alle aandacht, hij was een wonderkind en speelde al als 14-jarige in het Residentie Orkest.

In Lewins roman Bach onder de palmen uit 2012 komt Ubo terug als muziekstudent Jurriaan Houtkoper, de oudere broer van Jettie. Hoofdpersonage Lotte, elf jaar, is smoorverliefd op hem. Jurriaan is gericht op zijn moeder, alles draait om zijn carrière als fluitist, om goede solo’s, radioconcerten. Als hij het moeilijk krijgt en gaat scheiden, raakt hij aan lagerwal, neemt overal ontslag en begint over de wereld te zwerven.

‘Mijn broer ging bij de Bhagwan,’ vertelt Van Tijn aan het Literatuurmuseum. Met Lewin ging ze naar Thailand om haar broer te zoeken, hem te redden. ‘Hij had daar verschillende relaties aangeknoopt. Doodarme vrouwen troggelden hem geld af, op het laatst onderhield hij hele dorpen.’ Toen ze aankwamen was hij nog maar net dood. ‘Waarschijnlijk vergiftigd.’

Het portret maakte ze speciaal voor het Literatuurmuseum – ‘Ik vond het voor mijzelf en voor haar leuk om in het museum aanwezig te zijn.’