Hugo Brandt Corstius

(1935-2014)
‘Elk pseudoniem vertegenwoordigt een deel van mijn persoonlijkheid. Ik schrijf onder die naam uitsluitend namens dat facet van mijn karakter,’ aldus Hugo Brandt Corstius. Hij zou wel zestig pseudoniemen hebben gehad, waarvan Battus, Stoker en Piet Grijs de bekendste zijn. Hij was taalkunstenaar en -knutselaar, polemist en hartstochtelijk hater. En vader van Volkskrant-columnist Aaf en tv-journalist Jelle.
Vervaardigd 1997
Techniek Acryl op paneel
Afmetingen 167 x 124 cm

Hugo Brandt Corstius - Jeremia

door Ine Laurant (leefjaren onbekend)

Scherp én bot: dat was Hugo Brandt Corstius. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was hij niet alleen een van de bekendste en meest productieve columnisten, maar ook de meest gevreesde. Hij kon uiterst fel uit de hoek komen en schuwde geen enkele maatschappelijke reputatie. Zo stelde de Amsterdamse officier van justitie in 1978 een onderzoek in wegens majesteitsschennis. In 1985 weigerde het kabinet-Lubbers hem de P.C. Hooft-prijs uit te reiken, omdat hij zich kwetsend had uitgelaten over een aantal ministers. Hij zou ‘het kwetsen tot instrument [hebben] gemaakt’. Gevolg: de P.C. Hooft-prijs werd drie keer niet uitgereikt, en kwam nadien in handen van een onafhankelijke stichting.

In 1987 kreeg hij de prijs alsnog. Volgens de jury heeft Hugo Brandt Corstius ‘onze taal verrijkt met nieuwe woorden en uitdrukkingen en onze literatuur met vele bundels glanzend proza’.

Brandt Corstius was een taalvirtuoos en vindingrijk schrijver. Zijn zowel taal- als wiskundige aanleg blijkt vooral uit zijn Opperlandse taal- & letterkunde uit 1981 en Opperlans! uit 2002, waarin hij de vorm van de Nederlandse taal beschrijft, losgemaakt van de betekenis. Die aanpak zorgt voor fantastische vondsten.

Behalve wiskundige, taalkundige, republikein en vegetariër, was Brandt Corstius ook hartgrondig atheïst. Opmerkelijk dat Ine Laurant hem ter gelegenheid van het Boekenbal van 1997, dat als thema ‘Mijn God’ had, afbeeldde als de profeet Jeremia. Het maakt deel uit van een reeks van acht schrijversportretten die geveild werden voor het goede doel. Hoewel zijn portret het minst (1000 gulden) opbracht, kon hij zich in elk geval troosten met de gedachte dat het portret, met dat van Maarten ’t Hart, werd aangekocht door het Literatuurmuseum.