Henriette Roland Holst-van der Schalk

(1869-1952)
Dichteres en socialiste Henriette Roland Holst debuteerde in 1893 met sonnetten in De Nieuwe Gids en werd door Willem Kloos, nooit bang voor wat superlatieven, onmiddellijk geroemd als ‘de grootste dichter, die op ’t oogenblik leeft’. In 1896 verscheen haar debuutbundel Sonnetten en Verzen in Terzinen geschreven. In 1947 kreeg ze vanwege haar uitnemende verdiensten voor de Nederlandse letteren ‘inzonderheid voor de poëzie en voor de geschiedenis’ een eredoctoraat.
Vervaardigd 1944
Techniek Krijttekening op karton
Afmetingen 76 x 63 cm

Henriette Roland Holst-van der Schalk

door Dick Broos (1903-1991)

‘De loop is bijna volbracht / De haven komt eindlijk in zicht, / Licht valt nog over mijn pad, / Maar het is avondlicht, / Koel, kleurloos en grijs.’ Het zijn de beginregels van het gedicht dat Henriette Roland Holst op dit portret vasthoudt en dat is opgenomen in de in 1944 verschenen kleine bundel van vier gedichten.

Ze breidde het uit tot een cyclus van 22 lange gedichten die ze in 1948 opnam in In de webbe der tijden, een dikke, beschouwende bundel met werk vanaf de vroege jaren dertig en die ook sporen van de oorlog draagt, blijkens titels als ‘Westerbork’ en ‘Russenkamp’. Belangrijk thema’s zijn de tijd, de ouderdom, maar ook ‘Nieuwe geboorte’, ‘Terugkeer’ en ‘Moeders van het leven’.

Het lijkt of Dick Broos haar thema’s in 1944 doorzag. Maar hij kende de dichteres dan ook goed. Hij was een academiestudent geweest van haar man, kunstenaar Rik Roland Holst, en hielp hem in 1931 met een opdracht: gebrandschilderde ramen voor de Utrechtse Dom. Broos trouwde met Henriettes vroegere hulp Truida, die kind aan huis was op de Buissche Heide, het landgoed van de Roland Holsten. Biografe Elsbeth Etty schrijft dat Henriette altijd als een moeder voor haar was en de trouwjurk en een deel van de uitzet betaalde. Het stel vernoemde hun eerste kind naar haar: Jet. Zelf had Henriette Roland Holst graag moeder willen worden, maar haar huwelijk bleef kinderloos.

In het portret weerklinken de vier gedichten uit de bundel uit 1944: Het lyrisch ik is oud, wil voor het laatst de schoonheden van de zichtbare wereld bezingen: kinderstemmen, de wind ‘zachtjes aan het oeverriet’, een klaterende bergbeek. In de bergen hoort ze het versterven van een verre fluit.

Vervaardigd circa 1935
Techniek Olieverf op paneel
Afmetingen 57,5 x 47,5 cm

Henriette Roland Holst-van der Schalk

door Henk Gorter (1908-1974)

De Friese kunstenaar Henk Gorter was vooral natuurschilder en werkte in verschillende stijlen. Midden jaren dertig maakte hij dit portret van Roland Holst, die dan volop in de belangstelling staat vanwege het feit dat ze voor haar oeuvre de allereerste Prijs voor Meesterschap ontving, vanwege haar biografie van de marxistische revolutionair Rosa Luxemburg. Die had ze in 1900 leren kennen op het congres van de Internationale in Parijs en zij was behalve een vriendin ook een inspiratiebron geworden.  

Zelf was Ronald Holst sinds 1897 lid van de in 1894 opgerichte Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Ze vertaalde het Franse strijdlied ‘De Internationale’ – ‘Ontwaakt, verworpenen der aarde! Ontwaakt, verdoemden in hongers sfeer!’ – en schreef Kapitaal en Arbeid in Nederland, een tot ver in de jaren zeventig toonaangevend boek over de sociaaleconomische geschiedenis van de negentiende eeuw.

In 1927 brak ze met de politiek vanwege het communisme van Stalin en koos ze voor een meer religieuze invulling van het socialisme. Ze had grote bewondering voor de geweldloze vrijheidsstrijd van Mahatma Gandhi, over wie ze een biografie, en ook enkele gedichten zou schrijven. Ze bleef zich haar leven lang inzetten voor mensenrechten, in het verzet in de Tweede Wereldoorlog en daarna als fel tegenstandster van de Nederlandse koloniale politiek.

Naast bevlogen was Roland Holst ook nog eens enorm productief. Ze was redacteur voor het wetenschappelijk tijdschrift De Nieuwe Tijd, schreef stukken voor diverse kranten en bladen en hield redevoeringen en lezingen in binnen- en buitenland. ‘Mevrouw Holst is een begenadigde,’ aldus schrijfster Augusta de Wit, ‘zij schrijft vlotweg aan een wankel tafeltje van een stationsrestauratie de schitterendste artikelen waarvoor ik dagenlang aan mijn schrijftafel zou moeten zitten.’