Gerrit Kouwenaar

(1923-2014)

‘Er brak een nieuwe tijd aan, en die had een nieuwe kunst nodig.’ Dit realiseerde Gerrit Kouwenaar zich kort na de oorlog, toen hij het expressionisme van de Cobra-kunstenaars zag. Met de andere Vijftigers probeerde hij met woorden iets vergelijkbaars te doen. In de loop van de tijd ging Kouwenaar steeds meer kijken naar de taal en de woorden zelf, in plaats van naar het effect dat ze hebben op de maatschappelijke werkelijkheid.

Vervaardigd 1964
Techniek Gouache en o.i. inkt op paneel
Afmetingen 67 x 33 cm

Gerrit Kouwenaar leest over Brecht

door Hendrik Valk (1897-1986)

We zien Gerrit Kouwenaar hier staand, ten voeten uit, achter een lessenaar. Afgaande op de titel die kunstenaar Hendrik Valk het portret meegaf, leest Kouwenaar hier over Brecht.

Kouwenaar was in 1941 gedebuteerd met de in eigen beheer uitgegeven dichtbundel Vroege voorjaarsdag. Ook publiceerde hij in het illegale blad Parade der Profeten, wat hem op een gevangenisstraf van een half jaar kwam te staan. Na de oorlog schreef hij naast experimentele gedichten ook romans, novellen en essays. Hij werkte voor de krant De Waarheid en was redacteur bij onder meer de literaire tijdschriften Podium en De Gids.

Maar er moest ook brood op de plank komen, vandaar dat hij eveneens veel vertaalde: werk van onder meer Jean-Paul Sartre, Harold Pinter, Tennessee Williams en Bertolt Brecht. Voor zijn vertaalwerk zou Kouwenaar in 1967 de Martinus Nijhoffprijs krijgen. Hoewel hij die vooral kreeg voor zijn toneelvertalingen, roemt de jury ook zijn poëzievertalingen, die volgens hen zelfstandige herscheppingen zijn geworden ‘die aansluiten bij wat hij ook als oorspronkelijk Nederlands dichter heeft gedaan en nog altijd doet’. Ook noemt de jury Kouwenaars poëzie- en toneelvertalingen van Brecht, met wie hij ‘een uitgesproken affiniteit blijkt te bezitten’. In zijn dankwoord zegt Kouwenaar:

Ik ben geen wetenschapsman, geen taalgeleerde, maar juist omdat ik dat niet ben en toch dagelijks met taal als scheppend en herscheppend medium omga, geloof ik te mogen en te kunnen zeggen, dat taal een uitermate onberekenbaar en geheimzinnig materiaal is.

En daarin herkennen we de dichter Kouwenaar wiens gedichten zich nadrukkelijk presenteren als ‘dingen van taal’.

Ook voor zijn eigen werk werd hij meerdere malen bekroond. In 1971 ontving hij de P.C. Hooft-prijs, in 1989 de Prijs der Nederlandse Letteren.