Etty Hillesum

(1914-1943)

Etty (Esther) Hillesum kreeg bekendheid door de publicatie van haar dagboek, 38 jaar nadat zij in Auschwitz om het leven kwam. Haar geloof in de menselijke mogelijkheden bleef onverwoestbaar; overlevenden van de concentratiekampen waar had ze verbleven, noemden haar een ‘lichtende persoonlijkheid’.

Vervaardigd 1999
Techniek Acryl op doek
Afmetingen 50 x 50 cm

Etty Hillesum

door Frits Woudstra (1956)

Om inzicht te verkrijgen in haar persoonlijke ontwikkeling begint Etty Hillesum op 8 maart 1941 een dagboek. Ze beschrijft haar gevoelens, alledaagse ervaringen en gedachten, te midden van de onstuimigheden van de Tweede Wereldoorlog. Op 3 juli 1942 schrijft ze:

De omstandigheden, de goede en de slechte, moet men aanvaarden, wat niet belemmert dat men zijn leven eraan kan wijden de slechte te verbeteren.

Haar laatste aantekening is van 12 oktober 1942. Vanaf juli van dat jaar werkte ze voor de Joodse Raad op de afdeling ‘Hulp aan Vertrekkenden’ in Amsterdam. ‘De hel’, vond ze. Ze besloot met enkele anderen naar Westerbork te gaan om de mensen in het kamp bij te staan. Door deze baan had ze een speciaal visum waardoor ze aanvankelijk nog kon reizen. Daar kwam op 7 september 1943 een eind aan toen zij met haar familie werd gedeporteerd. Op 30 november werd zij in Auschwitz vermoord, ook haar familie overleefde de oorlog niet.

Tijdens de oorlog groeide Hillesums ambitie schrijfster worden, ze oefende in haar dagboeken haar stijl. Voor ze werd gedeporteerd gaf ze haar dagboeken in bewaring met het verzoek ze te publiceren mocht ze niet terugkeren. Toch was het pas in 1981 dat een selectie uit acht dagboekcahiers verscheen, eerder toonden uitgevers er geen belangstelling voor. Het verstoorde leven, dagboek van Etty Hillesum was gelijk een sensatie. Haar dagboeken worden internationaal gelezen als een getuigenis van de verschrikkingen van de holocaust, ‘Etty Hillesum beschrijft in haar dagboek zichzelf, maar evengoed de menselijke mogelijkheden van iedereen, op ieder willekeurig tijdstip,’ schrijft Jan Geurt Gaarlandt in de inleiding.

Frits Woudstra baseerde dit portret op een bekende foto van Hillesum, een die ook prijkt op een aantal van de vele herdrukken van het dagboek.