C.O. Jellema

(1936-2003)

Cornelius Onno Jellema staat bekend als een traditionele dichter, niet heel toegankelijk, beetje stug. Dat is allemaal waar, maar hij was ook een uiterst subtiele melancholicus, die in zijn poëzie de puzzelstukjes van zijn identiteit bijeen zocht.

Vervaardigd 2002
Techniek Olieverf op paneel
Afmetingen 29 x 34 cm

C.O. Jellema

door Trudy Kramer (1959)

Het is een van zijn laatste gedichten, ‘Zomernacht’, dat begint met de verzuchting: ‘Doe nu eens even die gedachten dicht van je. / Denk nu eens liever niet na over morgen.’ Zonder twijfel schreef C.O. Jellema het vanuit de tuin van het landhuis Oosterhouw, waar hij de laatste 15 jaar van zijn leefde woonde, samen met zijn partner Klaas Noordhuis. Want hij gaat als volgt verder: ‘Doe in je hoofd uit de lamp, hoor wat er is, / ademt en ritselt, kwaakt in de kikkers.’

Poëzie als plek om stilte in je hoofd te vinden en je over te geven aan de natuur, het is de slotsom van een oeuvre dat ruim veertig jaar omspant, van het debuut Klein Gloria uit 1961 tot aan Stemtest dat in 2003, het jaar van zijn dood verscheen. Een oeuvre van strakke vormen, waarin Jellema zoekt naar een rol voor poëzie. Moet die autonoom zijn of mag een religieuze mystiek meeklinken? Hoeveel zinnelijkheid klinkt er door in de literaire verwijzingen?

Enige jaren na Jellema’s dood dichtte Anton Korteweg: ‘Hij heeft het, dood, nog goed getroffen, Jellema. […] En elk jaar legt een altijd durend meisje / met benen, lang blond haar, op 19 maart / een bosje blauwe anemonen op zijn steen.’ Het ‘altijd durend’ meisje in dit gedicht is Trudy Kramer, de maker van dit portret. Zowel Kramer, Korteweg als Jellema waren deelnemers van het Schiermonnikoogse festival ‘Schrijvers om de Noord’. Kramers vriendschap met Jellema gaat terug tot de Fuji Art Association, een groep figuratief werkende Groningse kunstenaars die gezamenlijk exposeerde. Met haar man Ger Siks was ze in 1984 een van de oprichters. Jellema sloot zich als dichter aan en schreef de inleiding bij hun eerste groepstentoonstelling ‘36 Gezichten’.

Vervaardigd 1993
Techniek Olieverf op paneel
Afmetingen 85 x 70 cm

C.O. Jellema

door Jacqueline Kasemier (1948)

Op de achtergrond zien we een stukje van C.O. Jellema’s tuin van Oosterhouw, een monumentale villa uit 1868 in het Groningse Hogeland. Er zijn vijvers, er is een croquetveld, een prieeltje. De tuin was opnieuw aangelegd door tuinarchitect Klaas Noordhuis, Jellema’s partner, waarbij hij elementen van de oorspronkelijke tuin bewaarde.

Dit portret is gemaakt door Jacqueline Kasemier, die Jellema en Noordhuis rond 1990 leerde kennen. Het stel was bekend met Kasemiers werk en haar interesse in tuinieren. Zij bezocht hun tuin en de drie raakten bevriend. Kasemier maakte op basis van een gedicht van Jellema een schilderij, waarvan de dichter moest ‘wenen’ toen hij het zag. Hij kocht het meteen. Ook gaf hij Kasemier de opdracht hem te portretteren. Er moest wel een stukje tuin op, en dat mocht ze zelf uitzoeken. Ze koos voor een zicht op de ‘turkse tent’ die nog uit de tuin van zijn familie kwam. Noordhuis had deze tent in een kar met trekker in delen opgehaald en op Oosterhouw weer opgebouwd. Alweer was Jellema ontroerd toen hij deze tent op het portret verbeeld zag, want als kind had hij met tbc lang in deze theekoepel gekuurd. Hij vertelde er ooit in interview over: ‘Dat is de theekoepel van mijn tante uit ’t Waar, waar ik als kind logeerde. Hij staat op wieltjes zodat je ’m uit de wind kunt draaien. Als mijn oom dat deed, mochten wij kinderen er wel eens in blijven. Dan gaf hij een enorme duw en dan draaide het hele ding in de rondte. Geweldig was dat. Voor een kind betekende dat een hele wereldreis.’ Het afgebeelde ‘schildje’ is Jellema’s familiewapen. Het was de bedoeling dat dit portret na zijn overlijden naar het Literatuurmuseum zou gaan en zo is het ook gebeurd. Dat gebeurde ‘veel te gauw’, betreurt Kasemier.