Ben van Eysselsteijn

(1898-1973)

Volgens Menno ter Braak was Ben van Eysselsteijn ‘de Nederlandse Edgar Allen Poe’, volgens anderen een nazaat van Arthur van Schendel, dan wel onze eigen Thomas Mann. Dergelijke lof verklaart al wel een beetje waarom hij vergeten is: niemand rept over een  ‘eersteklas Van Eysselsteijn’. Hij schreef gedichten, romans, detectives, essays, toneelstukken en filmscenario’s maar er moest ook brood op de plank, dus schreef hij in opdracht van Unilever De geschiedenis van de margarine (1957).

Vervaardigd 1930
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 56,5 x 56,5 cm

Ben van Eysselsteijn

door Han van Meegeren (1889-1947)

Han van Meegeren werd wereldberoemd als kunstvervalser, maar in zijn Haagse periode, van 1913-1932, had hij veel succes met het schilderen van portretten. Naast portretten in opdracht portretteerde hij vaak vrienden die hij kende van de Haagse Kunstkring, onder wie Ben van Eysselsteijn.

Van Eysselsteijn was in het culturele leven van Den Haag geen onbekende. Zo was hij van 1928 tot aan zijn pensionering redacteur van de Haagsche Courant en de drijvende kracht van het Letterkundig Genootschap Oefening Kweekt Kennis.

Volgens Clara Eggink was Van Eysselsteijn ‘een forse, zeer blond-blauw-en-roze Nederlandse kerel om te zien, maar als je met hem zit te praten krijgt hij waarachtig iets etherisch.’ Schilder Sierk Schröder herinnert zich hem als een dandy-achtige figuur, die zwierig met zijn palissanderhouten wandelstok zwaaide. Van Meegeren beeldde de schrijver uit in contrastrijke kleuren, waarbij het rood in de stropdas zorgt voor een vrolijke noot. Zou hij de stok ook hebben geschilderd? Oorspronkelijk was de schrijver namelijk ten voeten uit afgebeeld. Toen hij het portret op zijn huwelijksdag in 1933 cadeau kreeg van Van Meegeren en bleek dat het nergens in volle lengte kon hangen, sneed Van Eysselsteijn de onderste helft van het schilderij af. En daarmee ook de signatuur.

Zou Van Meegeren dit geweten hebben? De schilder, door Van Eysselsteijn als ‘een scherplippig levensartist’ gekarakteriseerd (waarbij ‘scherplippigheid’ slaat op de onvrede van de schilder met de contemporaine kunstkritiek) was een klein jaar eerder teleurgesteld en vervuld van gevoelens van miskenning naar Zuid-Frankrijk vertrokken, waar hij, gedreven door geldingsdrang begon aan een periode van vervalsingen van oude meesters.