Albert Verwey

(1865-1937)

Het is een zonder twijfel onbedoeld ironisch bijverschijnsel van de literatuurgeschiedenis dat het tijdschrift waarin Albert Verweij dan eindelijk zijn literatuuropvatting kwijt kan De beweging als titel meekreeg. Hij had in de redactie gezeten van De Nieuwe Gids (met Willem Kloos), Tweemaandelijksch Tijdschrift (met Lodewijk van Deijssel) en De XXe Eeuw. Een eenmansbeweging, en een unieke, zij het stevig in de geest van Tachtig, gewortelde dichter.

Vervaardigd 1915
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 56 x 47 cm

Albert Verwey

door Henri Le Fauconnier (1881-1945)

De Franse schilder Henri Le Fauconnier heeft een belangrijke rol gespeeld binnen het kubisme. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verblijft hij in Nederland maar toen had hij zich al van het kubisme losgemaakt. In 1915 leerde hij Verwey kennen als hij de dichter en criticus uitnodigde voor zijn tentoonstelling in de Rotterdamse Kunstkring. Hij exposeerde daar met Peter Alma en Piet Mondriaan.

In het tijdschrift De Beweging, dat door hem was opgericht, schreef Verwey: ‘Het is duidelijk dat de schilders niet langer alleen van indruk leven, maar hoe langer hoe meer in hun kunst de grondvormen betrekken van het menschelijk geestesleven.’ Dit was zo waar gezegd, dat de schilder het artikel in zijn volgende catalogi liet afdrukken.

Le Fauconnier maakte twee portretten van Verwey: een groot portret dat in 1946 geschonken werd aan het Stedelijk Museum in Amsterdam, waarop de schrijver te zien is in een stoel, met een boekenkast op de achtergrond en in zijn rechterhand zijn tijdschrift – en dit kleinere, dat er een uitsnede van lijkt. 

Verwey publiceerde er in 1916 dit kwatrijn over:

EEN MANSPORTRET

Hemelse leidsels mennen aardsche driften
En de oogen zien die strijd, die zegepraal;
Kracht en een evenwicht van krachten griften
De lippenlijn die proeft, als vormt zij taal


Hoewel Verweys poëzie, die erg cerebraal is, weinig publiek succes kende, zette hij als tijdschriftleider een onuitwisbaar stempel op de literatuur van de eerste helft van de twintigste eeuw. Dichters als A. Roland Holst, Martinus Nijhoff, H. Marsman en anderen horen tot zijn discipelen. Zijn laatste periode wordt gekenmerkt door enkele belangrijke ‘tijdsgedichten’ waarin hij waarschuwt tegen de gevaren van het nationaalsocialisme.