Alain Teister

(1932-1979)
Schilder en schrijver Alain Teister (ps. van Jacob Martinus Boersma) ging in zijn eerste gedichten en de satirische roman De kosmonaut was een bisschop tekeer tegen de katholieke kerk – en de kerk zou de kop van jut blijven in zijn schelmenroman De kosmonaut was een bisschop uit 1970. In zijn beeldend werk komt dit thema terug, o.a. met een serie ironische kruisbeelden en het allegorische schilderij ‘Zevenluik met bed en bezoekers’, een installatie met bed, paspoppen, stoel en schilderijen.
Vervaardigd 1956
Techniek Olieverf op doek
Afmetingen 100,5 x 80 cm

Alain Teister

door Erika Visser (1919-2007)

‘Hij was zeker, naast zijn esthetische inslag, ook een melancholisch gerichte persoonlijkheid. Dat kwam naar voren in zijn vroege verzen: ironisch, soms cynisch, humorvol. Een groot geloof in de mensheid ontbrak gelukkig’, schrijft Dirkje Kuik over Alain Teister, met wie ze vanaf begin jaren ’50 goed bevriend was. Beiden waren lid van het Grafisch Gezelschap De Luis, een befaamde Utrechtse kunstenaarsgroep waartoe onder meer ook Peter Vos, Theo Sontrop en de bekende surrealistische schilder J.H. Moesman behoorden. Deze laatste was van 1951 tot 1962 getrouwd met Erika Visser, de maker van dit portret.

Visser was gespecialiseerd in portretten en legde vele professoren, politici en collega-kunstenaars vast, zoals Godfried Bomans, Mensje van Keulen, en ook Dirkje Kuik. Ze was een ‘portrettist van zielen’, aldus Marten Toonder met wie ze in de laatste jaren van haar leven een relatie had. In Vissers werk was de invloed van Moesman duidelijk aanwezig, zeker ook in dit portret van Teister. Ze vertelde ooit aan Benno Barnard hoe haar oorspronkelijke, naturalistische stijl, door de moesmanniaanse geest die er langs streek, abstraherende en kubistische trekken was gaan vertonen: ‘lichaam ondergeschikt aan vlak en compositie, sentimenten geweerd, het denken mee geschilderd’.

Als Visser Teister in 1956 portretteert, is hij als schilder al gedebuteerd met een tentoonstelling bij Wagenaar in Utrecht, maar zijn literaire debuut laat nog even op zich wachten. In jaargang 1959-1960 van Hollands Weekblad publiceert hij zijn eerste verhaal om in 1964 te debuteren met de dichtbundel De huisgod spreekt. Uiteindelijk leidt alcoholverslaving tot zijn dood. Als hij op zijn 47e sterft aan een inwendige bloeding ten gevolge van een leverkwaal, laat hij zo’n honderd gedichten na, veel journalistiek werk, enkele romans en ook beeldend werk.