Zelfportret met boeken

door Renée van Marissing

Hoe zie ik mezelf? Hoe wil ik dat anderen mij zien?

In 1977 vroeg literair tijdschrift De Revisor verschillende Nederlandse auteurs een zelfportret te tekenen. Van deze portretten is in 1978 een boekje gemaakt. Een van de auteurs die een bijdrage inzond was Andreas Burnier. Die tekening ligt in het archief van het Literatuurmuseum.

 

Het portet is met potlood getekend. Burnier zelf is bijna niet zichtbaar, haar lichaam is verstopt achter de rij van zestien ruggen van boeken, haar hoofd steekt erboven uit, een norse uitdrukking op het gezicht, achterover gekamd haar en enorm lange armen die de boeken op de tekening omarmen.

 

Burnier hield van boeken. Als kind van vier las ze ze al. In de biografie Andreas Burnier, metselaar van de wereld van Elisabeth Lockhorn (2015) staat een veelzeggend citaat: ʻHet allereerste woord dat ik kon lezen was het woord BOEKEN. In zwarte hoofdletters stond het op het uithangbord van een boekhandel in de buurt van ons huis.ʼ Wat dat betreft is het bijna vanzelfsprekend dat ze niet alleen een prominente plek in haar leven maar ook op deze tekening innemen. Door de keuze van boeken wil zij laten zien wie zij is.

 

Maar toch... ik hou ook erg van boeken maar het zou niet mijn eerste associatie zijn wanneer ik me aan een zelfportret zou moeten wagen. Wat maakt dat boeken deze plek innnemen in het leven van Andreas Burnier?

Andreas Burnier (1931-2002) was iemand met verschillende namen: geboren als Catharina Irma Dessaur, tijdens de onderduik de naam Ronnie van Dijk gekregen en als schrijver noemde ze zichzelf Andreas Burnier. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft ze in korte tijd op zestien verschillende onderduikadressen gezeten. Daarnaast voelde ze zich al van jongs af aan niet thuis in haar lichaam, een thematiek waarover ze schrijft in onder andere de romans Een tevreden lach en Het jongensuur. Dit alles heeft voor een ontheemdheid gezorgd die ze heeft opgevuld met het lezen van boeken.

Het doet me denken aan de eerste strofe van het gedicht ʻWoninglozeʼ van J.J. Slauerhoff: ʻAlleen in mijn gedichten kan ik wonen, / Nooit vond ik ergens anders onderdak; / Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak, / Een tent werd door den stormwind meegenomen.ʼ

Foto: Annelies Flinterman

Op haar eerste onderduikadres wordt ze door de diverse leden van het gezin Cornelius intellectueel gevoed. Zo praat ze veel met vader Peter en Frans, de jonge broer van mevrouw Cornelius, legt haar de eerste beginselen van de wiskunde uit. ‘Het is een hartstocht die haar een leven lang bij zal blijven,’ aldus Elisabeth Lockhorn in haar biografie. In Het jongensuur schrijft Burnier:

De eerste dagen viel het mij op dat hun huis zo anders rook. Een prettige lucht: samengesteld uit drogende appels op zolder, vier meisjes op de slaapverdieping, marmite in de keuken en duitse boeken in de kast. Dat alles te zamen veroorzaakte een geur die ik nog niet kende: de geur van intellectuele rust.

De duitse boeken waren van Goethe, Schiller, Nietzsche, Stefan George en Rudolf Steiner. Net als de marmite moest je die in kleine doseringen genieten. Ik kende trouwens vrijwel geen duits.

En de boeken zelf? Op de ruggen geen titels maar namen van schrijvers. Het is een verzamling filosofen, dichters en schrijvers, een astroloog, een theoloog, een theosoof, een psycholoog etc. Zestien bij elkaar gezette individuen, sterke persoonlijkheden, vrijdenkers. De mannen worden allemaal bij de achternaam genoemd, de vrouwen bij de voornaam. Ook in plaatsing is er een duidelijk onderscheid, links en in het midden de mannen, rechts de vrouwen. De boeken die gezamenlijk in het midden van de tekening staan, lijken iets op de voorgrond te treden. Ze worden aan weerskanten overeind gehouden door boekensteunen omdat Burniers handen er niet bij kunnen.

Hoe zie ik mezelf? Hoe wil ik dat anderen mij zien?

Wat zie ik, wanneer ik naar deze tekening, dit zelfportet van Andreas Burnier kijk, is een lezer, een denker die niet zelden van het gebaande pad afwijkt. Iemand die boeken omarmt, die de literatuur voor zich laat spreken. Iemand die zichzelf laat zien door de boeken te laten zien die haar gevormd hebben; ik lees, dus ik ben.