Zelfportret als paard

door John-Alexander Janssen

Waarom poëzie lezen? Omdat de poëzie van Rutger Kopland bestaat. Zo simpel kan het zijn. Waarom poëzie schrijven? Dat ligt ingewikkelder, misschien. Uit noodzaak? Uit verlangen? Of, verschilt het per gedicht en is er een waaier aan motieven, een palet even veelkleurig als de mens?

 

Het is moeilijk om niet te glimlachen bij het lezen van Rutger Koplands aantekeningen als hij uitlegt dat er met enige regelmaat paarden in zijn gedichten verschijnen omdat hij als jongen een paard had willen zijn. ‘Het is minder geworden, maar echt overgaan zal het wel niet.’ Kopland (pseudoniem van Rutger Hendrik van den Hoofdakker) herinnert zich hoe hij met zijn ‘broer speelde, dat ik paard was en hij mij mende (…) Maar het vervelendste was nog dat mijn broer mij af en toe vragen stelde die een paard nooit zou kunnen beantwoorden. Ik hinnikte dan, omdat ik niet kon praten.’ Zo kan het dus beginnen.

Een wens, een verlangen uit de kindertijd, wordt vele jaren later de voedingsbodem voor een gedicht, ‘Zelfportret als paard’ (Tot het ons loslaat, Van Oorschot 1997). In het archief van het Literatuurmuseum bekijk ik de totstandkoming ervan.

Koplands aantekeningen – het voelt bijna alsof hij verantwoording wil afleggen – illustreren nog iets anders: dat je eigenlijk niet weet wanneer de aanleiding tot poëzie ontstaat. En dat we de grote lijnen van ons leven vaak alleen terugkijkend begrijpen. Waarom spelen sommige dingen een belangrijke rol – in ons leven, in ons denken – en andere niet? Niet in de laatste plaats door onze ervaringen. Maar de rauwe ervaring is nog geen poëzie. Ook de herinnering niet. Die transformatie vindt pas plaats als iemand daar moeite voor doet.

 

De dichter

 

Door de eerste, handgeschreven versie van ‘Zelfportret’ staat een groot kruis. Vervolgens worden geen alinea’s maar regels doorgestreept. Daarna woorden. Dan, een enkel woord. Kopland toont zo wat iedere dichter of schrijver weet: elk gedicht, elk boek, is een eindproduct, een resultaat van wissen en vervangen, schuiven en aanzetten, verplaatsen en afzwakken. Vele malen moet de imperfectie worden geduld, om de perfectie een stapje te naderen.

 

Het gold ook voor Kopland. Alles waarom hij ooit geroemd is – helderheid, toegankelijkheid zonder concessies aan diepgang, en meer – schudde hij niet uit zijn mouw, maar was, behalve te danken aan een flinke scheut talent, de uitkomst van een haast eindeloze verfijning. Geen plotsklapse magie dus, maar kritisch, geduldig, ambachtelijk werk. In zijn archief wordt dat tastbaar.

 

Ook ‘Zelfportret als paard’ was hiervan een resultaat.

 

Het begon met een constatering (paarden in zijn gedichten), toen een gevoel (het zat in hem), toen een herinnering (vroeger wilde hij dit al). ‘Het meest levendige gevoel dat ik uit mijn jeugd kan terugroepen,’ schrijft hij, ‘is de droom een paard te zijn in een weiland, onder de paarden.’ Dan volgen de eerste regels van de eerste versie van het gedicht:

Vraag nu niet wie ik ben, vraag het

aan het paard in het weiland,

 

Regels die enkele versies later als volgt luiden:

Men heeft mij gevraagd wie ik ben,

goed, ik ben een paard geweest,

 

Ook deze halen het niet. De afstand tot de eindversie wordt intussen steeds kleiner. Duidelijk wordt bovendien dat Kopland niet alleen een gevoel wil verwoorden of een herinnering wil drenken in poëzie. Via de herinnering roept hij – o paradox – ook tijdloosheid op. In de gepubliceerde versie:

ik moet hebben gewoond in zijn lichaam

in zijn ogen hebben gezien wat hij zag

 

dat het leven nooit zou beginnen noch

ooit zou ophouden noch zich herhalen

 

 

En er is nog iets. Hij steekt zijn hand uit, naar ons, lezers:

U staat bij het hek van een weiland,

aan de andere kant staat een paard

 

Een uitgestoken hand, om ons in contact te brengen met het paard, met het kind dat hij ooit is geweest en dat nog in hem zit, in zijn werk.

 

‘Onze dromen zullen wijken voor de feiten, nooit andersom, nooit andersom,’ citeert Kopland zichzelf in zijn aantekeningen. Uiteindelijk, schrijft hij, is er ‘niet meer dan een weiland met daarin een grazend paard en een 11 jarig jongetje op zijn knieën (…).’

 

Er is wel degelijk meer. Er is een gedicht.

kijk het aan - het zal u aankijken

 

Kijk het paard aan. Kijk Kopland aan, verbeeld je.