Vuige handelingen

door Sander Kok

Het masturbatiedagboek van Lodewijk van Deyssel. Dit is deel 2. De essays zijn ook afzonderlijk te lezen.

 

In oudtestamentische tijden schoot God nog weleens uit bij het uitdelen van straffen. De kleine bijfiguur Onan, die volgens de spelregels de weduwe van zijn overleden broer trouwde, wilde bij haar geen kind verwekken, koos voor coïtus interruptus en ‘verdierf zijn zaad tegen de aarde’. God vond dat slecht. Hij doodde Onan.

 

De arme rukker was allang vergeten als er in de achttiende eeuw geen vuige handelingen naar hem waren vernoemd. Onan schonk zijn naam aan onanie en onaneren, respectievelijk masturbatie en masturberen. Masturbatie komt op haar beurt mogelijk van manus: Latijn voor hand, en stuprare: onteren, verkrachten. Masturberen is dan: zich met de hand onteren. Maar dat terzijde.

 

De praktijk leert dat God er niet langer de doodstraf voor oplegt. Wie zich tegenwoordig op een oneervolle manier met het eigen lichaam wil vermaken, mag dat – God gedoogt het, net als de medemens. Niet alleen geldt onanie, mits in afzondering uitgevoerd, niet langer als immoreel, het is volgens de medische wetenschap zelfs gezond. Niemand spreekt meer van ‘zelfbesmetting’ of de ‘eenhandige zonde’.

Lodewijk van Deyssel in 1882

 

Lodewijk van Deyssel schreef een dagboek over zijn onanie, of eigenlijk over zijn strijd ertegen. Het is een bijzondere ervaring om het dagboek te lezen van iemand die nog geloofde dat masturbatie een zonde was. Een zonde tegen de eigen geest en gezondheid, niet een zonde tegen de christelijke leer. Van Deyssel had het streng katholieke geloof van vooral zijn vader al jong afgeworpen. Op het voorblad van het onaniedagboek staat Préparations pour traités et romans, ongetwijfeld om de lezer weg te jagen. Maar in een schijnbaar paradoxale poging om de lezer aan te trekken, staat er tweemaal in potlood bij geschreven: Geheim. Het blijft gissen of Van Deyssels dagboek daadwerkelijk voor ons geheim moest blijven, want hij deed geen enkele moeite om het te verbergen voor zijn biograaf. Zie ook het (nog te verschijnen) vierde en laatste deel van deze reeks.

 

Het is een bijzondere ervaring, ook, om over iemands intieme strijd te lezen in diens eigen, unieke handschrift, inkt op papier, met de zijkant van mijn duim op de plek waar zijn hopelijk goed gewassen vingers lagen. Van Deyssels woorden waren waarschijnlijk niet voor mijn ogen bestemd. En toch, als iemand zijn woorden welwillend, met een open geest, met geopend hart kan lezen, is het wel de hedendaagse lezer, die immers weet dat masturbatie niet ziek maakt, noch dat ze voortkomt uit een verdorven geest, terwijl diezelfde lezer wél de obsessie met gezondheid begrijpt, en de obsessie met zelfverbetering, want daaraan lijden hijzelf, de buurman en zijn moeder ook. Al die boekjes waarmee we worden doodgegooid, over wat je moet eten en wat niet, over hoe je stressvrij moet raken, over wat je tegen jezelf in de spiegel moet zeggen om succesvol te worden, wat je je moet inbeelden om binnen afzienbare tijd veel geld te verdienen, in het kort, al die disciplinerende boekjes – zijn die zo anders?

 

De hedendaagse lezer van Van Deyssels onaniedagboek moet diens strijd op een fundamenteel niveau kunnen begrijpen, al kan hij zich niet meer voorstellen dat de dreiging van masturbatie een mens werkelijk zoveel leed kan berokkenen. We mogen ons afvragen welke eenentwintigste-eeuwse strijd de lezer van de toekomst, als die dan nog bestaat, eerst doet grinniken en dan doet denken: ach gut, die arme man, toen wisten ze nog niet dat het zó zat. Een goede kandidaat is de hedendaagse obsessie met voedsel. Die berust evenals de voorbije obsessie met masturbatie op kennis die wetenschappelijk heet te zijn, terwijl ze dat vaak nu juist niet is.

A little knowledge is a dangerous thing. De mens begaat zijn grootste stommiteiten wanneer hij weinig van een onderwerp weet – veel meer dan wanneer hij er niets van weet. Door hetzelfde principe, geloof ik, komt het regelmatig voor dat jonge wetenschappelijke disciplines de mens juist schaden. Je zal maar rond 1900 op de bank van dr. Freud hebben gelegen. Of een Jood zijn geweest in het paradijs-in-aanbouw van de amateurgeneticus en hobbybioloog Adolf Hitler. Dan kon je een stuk beter een van de eerste mensen zijn onder de hoede van God, al was ook hij nog maar pas begonnen.