Vier schrijvers: Walter van den Berg

Ontdek hoe literatuur ontstaat! Vier schrijvers werken vier weken lang aan een verhaal en doen verslag van hun creatieve ups en downs.

 

 

Vroeger tekende ik graag. Ik probeerde stripverhalen te maken, maar ik liep tegen mijn eigen beperkingen aan: ik kon helemaal niet zo goed tekenen. Toch wilde ik verhalen blijven vertellen en daarom ben ik gaan schrijven. Vanaf dat moment — rond mijn dertiende, veertiende — wist ik dat dit was wat ik later wilde worden. Toch noem mezelf niet zo snel ‘schrijver’. Als ik op een feestje sta, vertel ik dat ik dingen schrijf en als ze vragen wát, zeg ik: boeken. Maar om mezelf ook zo voor te stellen… dat is mal.

 

 

Het is een ongelooflijk cliché, maar schrijven is voor mij een noodzaak. Net als dat het voor de meeste anderen die het schrijven doorzetten, en die er een beetje goed in zijn, een noodzaak is — ook al zullen ze het niet altijd door hebben. Als ik niet kan schrijven, word ik ongelukkig. Dan merk ik dat er iets uit moet. Alleen als ik met vakantie ben, ergens met zon en zand, blijft alles thuis — op een opschrijfboekje na. Maar dat is dan ook het enige moment waarop ik analoog werk. Verder ben ik hartstikke digitaal: ik doe alles op mijn laptop en telefoon.

 

Mijn ideeën noteer ik in Evernote, een app waardoor ik alles op één plek heb en dingen snel terug kan zoeken. Als ik schrijf, gebruik ik Scrivener, een digitale omgeving die gebouwd is voor schrijvers, met allemaal slimme foefjes waardoor je je tijdlijn in de gaten kunt houden en weet waar je personages staan. Zo’n programma helpt enorm. Bij mijn eerste boek las ik, steeds wanneer ik mijn werk wilde voortzetten, alles terug wat ik had geschreven. Hoe verder ik was, hoe meer ik terug moest lezen, en hoe meer tijd me dat dus kostte. Maar nu ik de juiste tools hebt om te kijken hoe ver ik ben en waar ik sta in mijn verhaal, werk ik veel sneller.

 

Ik ben ook anders gaan schrijven dan in het begin, omdat ik langzaam ontdek wat voor mij het beste werkt. Ik werk efficiënter en gooi steeds minder weg; wat ik schrijf is steeds vaker in één keer goed en dat scheelt een hoop tijd. Alleen het opstarten van een boek duurt een tijdje. Ik begin een roman wel drie keer opnieuw; pas de vierde of vijfde versie wordt het echte verhaal. Maar daar wordt uiteindelijk heel weinig in geschrapt.

 

Omdat ik overdag op kantoor werk — van mijn boeken alleen kan ik nog niet leven — heb ik alleen ’s avonds tijd om te schrijven. En dat begint na het eten, tijdens de afwas: dan ben ik in staat een helder beeld te scheppen voor mezelf, te bepalen waar ik mee verder moet en te bedenken wat ik met mijn personages wil en wat ze doen. Daarna ga ik een uur achter de computer zitten. Ik stel mezelf ten doel elke dag 500 woorden te schrijven. Dat deed Ernest Hemingway ook; als je jezelf beperkt tot die hoeveelheid — en niet pas stopt wanneer je een scène hebt afgerond — is het de dag erna makkelijker om weer verder te gaan.

 

Maar als een roman echt op stoom is, ruim ik ook de weekenden in voor het schrijven. Dan ga ik in een koffietentje zitten om meters te maken, totdat het af is. Want dát is uiteindelijk het leukste aan schrijven: het feit dat het boek er is, en de wetenschap dat je iets moois hebt gemaakt.

 

 

Meer informatie over Walter van den Berg vind je op waltervandenberg.nl.