Vier schrijvers: Thomas Heerma van Voss

Ontdek hoe literatuur ontstaat! Vier schrijvers werken vier weken lang aan een verhaal en doen verslag van hun creatieve ups en downs.

 

 

Vroeger wilde ik voetballer worden. En daarna rapper. Hoewel ik al vanaf mijn twaalfde schrijf — eerst jarenlang non-fictie, vooral over muziek, daarna ook fictie — zag ik schrijven nooit als een serieuze beroepsmogelijkheid. Bij literatuur dacht ik aan ingewikkelde zinnen en grote metaforen. Maar toen iemand mijn eerste verhaal wilde uitgeven, was ik volgens sommigen ineens romanschrijver. Een woord waar ik me nog steeds een beetje ongemakkelijk bij voel: ik vind dat je die titel moet verdienen. Of ik dat zelf al heb gedaan, weet ik niet.

 

 

Wat me tegenstond aan het schrijven over muziek, was dat ik altijd vastzat aan de albums, en daarmee de verhalen, van anderen. Nu ik fictie schrijf kan ik mijn eigen verhalen verzinnen; ik kan doen waar ik zin in heb. Dat geldt niet alleen voor wat ik schrijf, maar ook voor hoe en wanneer ik schrijf: ik bepaal zelf hoe ik mijn dag indeel. Die totale vrijheid, in elk opzicht — dat vind ik het prettigste aan schrijven.

 

Tussen elf en drie uur ’s nachts schrijf ik het best. Dan is de dag afgerond en tot rust gekomen — iedereen slaapt, er gebeurt niets belangrijks, ik heb niet steeds het gevoel dat ik iets mis. Dan kan ik schrijven, zonder afleiding, zonder dat ik me opgejaagd voel. Overigens vind ik afleiding op zich niet zo’n groot probleem. Ik vind het prettig om af en toe even uit een zin of een verhaal te raken, zodat ik er daarna weer frisser tegenaan kan kijken. Bovendien hou ik het schrijven veel langer vol als ik zo nu en dan een mail beantwoord, of een internetartikel aanklik. Als ik daarentegen drie uur lang, onafgebroken, op een computer zonder internet aan een verhaal werk (wat soms gebeurt als ik écht iets moet afmaken), ben ik na afloop regelmatig uitgeput.

 

De muziek die ik tijdens het schrijven luister mag niet te afleidend zijn. Ik luister daarom altijd naar filmmuziek die ik goed ken: muziek met een natuurlijke cadans, rustige momenten en actiemomenten, die me in een soort trance brengt en de stilte doorbreekt. Op een werkdag draai ik dezelfde cd wel tien keer achter elkaar. Ik kan moeilijk schrijven wanneer ik nieuwe muziek hoor; dan word ik uit mijn concentratie gehaald door tonen die ik niet ken en het feit dat ik niet weet wat er komt.

 

Een idee voor een verhaal of een roman begint meestal met een eenvoudig beeld dat me niet meer loslaat: een man bij een glasbak, een Koreaans kind dat over de Nieuwmarkt loopt. Dan vraag ik me af: hoe is hij daar terecht gekomen? Wat voor leven zou zij leiden? Die beginfase vind ik het leukst: die eerste ingeving, als ik vanuit enkele beelden een verhaal kan vormen, het moment dat alles nog openligt. Als een verhaal is afgerond heb ik er eigenlijk al niet zoveel meer mee; dan geef ik het uit handen en is het van anderen — en voelt het voor mij alweer heel ver weg.

 

Maar het is heus niet zo dat ik elke ochtend fluitend achter mijn bureau plaatsneem. Ik zit vaak genoeg vast tijdens het schrijven. Als ik ergens aan begin weet ik bijna nooit hoe het moet aflopen. Soms heb ik een vaag eindpunt, of een idee voor een traject, maar uiteindelijk wordt het toch helemaal anders dan wat ik in mijn hoofd heb. Ik schrijf niet heel snel en herschrijf regelmatig: de eerste versie verschilt meestal enorm van de definitieve versie. Maar blijkbaar is er toch iets dat sterker is dan de weerzin en de tegenstand die ik kan ervaren als ik ergens niet uitkom. Ik wil een verhaal vertellen. Dat gaat niet zonder slag of stoot, maar dat hoeft ook niet.

 

 

Meer informatie over Thomas Heerma van Voss vind je op thomasheermavanvoss.nl.