Vier schrijvers - de resultaten (2)

door Floor Buschenhenke

In mijn eerste blog over de resultaten van het ‘vier schrijvers’-experiment zagen we dat Thomas een zinnenschaver is, Alma een IJslandse aanloop nam door research te doen, Bregje altijd op zoek is naar het juiste woord en Walter zonder genade scènes schrapt. Nu volgt een blik op de data die Inputlog heeft geregistreerd. 

In bovenstaande grafiek zien we hoeveel woorden de vier schrijvers produceerden (onderste helft) en hoeveel woorden er in hun werkdocumenten stonden (bovenste helft). Voor Alma zijn de data wegens technische problemen niet compleet. Voor wie hieruit schrijflessen wil destilleren: er is geen ‘goed’ of ‘slecht’ aan deze cijfers verbonden. We zien dat Walter van den Berg twee derde van zijn verhaal schreef in de drie dagen voor de deadline. Degene die het meest heeft herschreven pikken we er ook uit: Thomas Heerma van Voss. Het rustige begin van Alma Mathijsen (waarin zij online research deed en een archiefbestand aanlegde) en het gelijkmatige tempo van Bregje Hofstede completeren deze grafiek. 

 

Ritme & fases

Bij de studie naar papieren bronmateriaal onderscheiden textual scholars fases in het analoge schrijfproces die fysieke sporen nalaten in de vorm van, bijvoorbeeld, een getypte versie, correcties op een proefdruk, aantekeningen in een notitieboekje. In hoeverre is bij het digitale schrijfproces, wanneer we een programma als Inputlog gebruiken, een onderverdeling in fases nog te reconstrueren? Welke schrijfstrategieën gebruiken de vier schrijvers van ons experiment? Lijkt het digitale schrijven op het analoge proces of is het schrijven van nu totaal iets anders? De procesgrafieken kunnen een eerste inzicht bieden. Ze laten per auteur zien hoeveel en waar er geschreven en geschrapt wordt.

Alle schrijfsessies van Walter van den Berg in Inputlog

 

Dit zijn de acht schrijfsessies van Walter van den Berg: de blauwe lijn is zijn tekstproductie, uitgedrukt in het aantal getypte lettertekens. De groene lijn representeert het aantal letters in het document en de groene stippellijn is de positie van de cursor. Hoe dichter de twee lijnen bij elkaar staan, hoe minder er is geschrapt. We zien bij hem drie fases: in fase 1 (tot iets voorbij 2:30 op de horizontale as) produceert hij wat meer dan dat er blijft staan en is hij op allerlei plekken in de tekst aan het werk (de groene stippellijn maakt grillige bewegingen). In fase 2 produceert hij veel en reviseert nauwelijks (tot 5:10). Hierin zien we de cursor aansluiten bij de tekstproductie. In de slotfase gaat hij meerdere keren terug naar het begin en werkt zo de tekst door, ondertussen schrapt hij meer dan dat er bij komt – de lijnen komen verder uit elkaar te liggen. De fases vallen niet een op een samen met de schrijfsessies: zo rondt hij in de laatste sessie eerst zijn verhaal af in hetzelfde hoge productietempo als dat van de vorige sessie, waarna hij de tekst in enkele rondes van begin tot eind redigeert.

Laatste vijf sessies van Thomas: tekstlengte neemt nauwelijks toe

 

Bij Thomas Heerma van Voss zijn grofweg twee fases te onderscheiden: de eerste drie uur dijt het verhaal uit, de laatste tweeënhalf uur blijft het aantal woorden redelijk constant maar reviseert hij veel. Zijn revisiefase is opmerkelijk groot – de anderen besteedden hier elk aan het eind van het schrijfproces zo’n 45 minuten aan (op een totale schrijftijd van ongeveer 6 uur voor Walter en Alma, ruim 9 uur voor Bregje). Daarnaast valt op dat hij het meest heen en weer beweegt in de tekst en dat hij dit gedurende het hele proces blijft doen. Hij keert vaak terug naar het begin van de tekst en zet veel kleine stapjes terug om zijn laatst geschreven paragraaf te redigeren. Van de vier probeert hij het meest uit: hij schrijft gemiddeld het dubbele van wat hij laat staan. In de grafiek zien we daarom een grote afstand tussen de blauwe en de groene lijn. 

Bregje, sessie op 2 maart, eerst overtypen, dan redactie, herlezen vanaf het begin, redactie van passage eerder in de tekst

 

Bregje Hofstede schrijft haar scènes uit op papier. De meeste sessies begint ze met het overtypen van haar papieren tekst, waarbij ze wel meteen aanpassingen doet. Bij het overtypen ligt het productietempo vrij hoog (steile curve). Verder zien we periodes binnen de sessies waarin ze van begin tot eind de tekst leest en periodes waarin ze her en der reviseert, in een rustiger tempo. Deze drie processen wisselen elkaar af gedurende haar hele proces over de vier weken. De schrijfsessies waarin ze veel nieuw materiaal toevoegt aan haar tekst wisselt ze af met leessessies waarin ze van voren naar achteren de tekst doorneemt, her en der kleine revisies aanbrengt, en relatief weinig nieuw materiaal toevoegt. Deze leessessies komen overeen met de inlevermomenten van de documenten. In een persoonlijke toelichting gaf ze aan dat ze enigszins toewerkte naar de publicatiemomenten van de conceptversies, en deze ‘leesbaar’ wilde maken. Ze schrapt relatief weinig van haar geproduceerde woorden, maar voert op papier ook al correcties door, en lang niet alles wat op papier staat haalt het Wordbestand. 

Alma’s sessie van 29 februari; begint met een pauze, lineaire productie

 

Alma Mathijsens grafieken zijn opvallend harmonieus; ze begint met vier à vijf minuten pauze. Soms scrolt ze dan al door de tekst maar meestal niet. Zelf geeft ze aan dat ze begint met nadenken, ‘het duurt even voor ik erin kom’. Vervolgens werkt ze lineair: ze produceert nieuwe tekst onder aan het document en blijft met haar cursor bijna uitsluitend daar. Dit doet ze de eerste negen schrijfsessies. De laatste twee sessies zit er een groter verschil tussen productie en proces. Ze schrapt meer en er komen een stuk minder woorden bij. In deze twee sessies verwerkt ze ook de suggesties van haar meelezer. Hier zouden we op basis van de grafieken dus twee fases kunnen onderscheiden: voor en nadat de tekst naar de meelezer is gestuurd.

 

Na afronding van hun verhalen laten de vier schrijvers ze het liefst een aantal weken liggen om er dan met een frisse blik nog eens aan te werken, maar zo’n laatste revisiefase viel helaas buiten de opzet van dit eerste kortlopende onderzoek.

 

Denken achter het scherm

In het onderzoek is het van belang om inzicht te krijgen in de verhouding tussen ‘denken’ en ‘typen’ bij het schrijven van een literaire tekst.

Inputlog meet de pauzes tussen de toetsaanslagen en muisbewegingen. Wanneer er langer dan 2 seconden geen actie werd waargenomen, zag Inputlog dit als een pauze. Deze grens van 2 seconden is op basis van eerder onderzoek vastgesteld. Bij het analyseren van de data zijn pauzes van langer dan 10 minuten eruit gefilterd (het programma bleef tijdens de lunch bijvoorbeeld weleens per ongeluk aanstaan). De sessietijd (de tijd dat het programma aanstond) minus de pauzetijd geeft de schrijftijd.

 

In de tabel zien we de totale schrijftijden verrassend dicht bij elkaar liggen, hoewel de schrijvers binnen die tijd een zeer uiteenlopende productie hadden. De ratio’s tussen de sessie- en schrijftijd liggen redelijk dicht bij elkaar, al was de variatie binnen de sessies van elke schrijver groter dan de variatie tussen deze gemiddelden. Ook Bregje had overigens een paar sessies waarin haar ratio rond de 0,40 lag. ‘Schrijven’ bestaat in deze sessies dus gemiddeld voor een groter deel uit ‘denken’ dan uit ‘typen’. Veel of weinig revisie heeft geen zichtbare invloed op deze verhouding.

Dat het ‘denken’ voor een deel uit (terug)lezen bestaat ligt voor de hand. Op basis van de softwareregistraties kunnen we echter niet zien wanneer er gelezen wordt: hiervoor zouden eye-tracking-apparatuur of video-opnames ingezet kunnen worden.  

 

 

 

Aantal sessies

Woorden in einddocument

Woorden geproduceerd

Totale sessietijd

Totale schrijftijd

Ratio sessie- en schrijftijd

Walter

8

3223

4679

6 u 11

2 u 29

0,40

Alma

13

1851

3290*

5 u 55

2 u 31

0,43

Thomas

12

1852

5207

5 u 45

2 u 33

0,44

Bregje

8

2346

3646

9 u 36

2 u 40

0,28

*dit geeft een vertekend beeld: ze werkte aan het einddocument en aan het archiefdocument; het programma telt deze twee bij elkaar op.  

 

De schrijvers zelf waren unaniem verrast door de in hun ogen korte sessietijden. Gevoelsmatig waren ze veel langer met de teksten bezig geweest. Misschien waren ze dat ook wel: ondanks alle registratie blijft een deel van het creatieve proces ongrijpbaar, of in ieder geval: onmeetbaar. 

 

De meetbare data geven ons inzicht in de fases van het schrijfproces en de individuele verschillen in het gebruik van schrijfstrategieën als redigeren, plannen en experimenteren op het scherm. Ook worden alle online bronnen vastgelegd die binnen een schrijfsessie worden geraadpleegd. Verbanden tussen brongebruik en tekst kunnen dus op een nieuwe manier onderzocht worden. Ten slotte kan inzicht in de totstandkoming van een verhaal een ander licht werpen op dat verhaal zelf. Je gaat zien dat het ‘gewoon heel veel moeite kost en heel veel constructie om een verhaal in elkaar te zetten’, aldus Thomas Heerma van Voss in een interview voor dit project. Bijzonder aan het werken met toetsaanslagsoftware is dat de ‘roads not taken’ op de kaart blijven staan, en we het verhaal met deze landkaart aan mogelijkheden en keuzes kunnen lezen.