Vier schrijvers: Bregje Hofstede

Ontdek hoe literatuur ontstaat! Vier schrijvers werken vier weken lang aan een verhaal en doen verslag van hun creatieve ups en downs.

 

 

Het klinkt koket om schrijven een noodzaak te noemen, maar voor mij is dat wel waar het op neer komt. Sinds mijn elfde houd ik, heel nauwkeurig, een dagboek bij; als ik dat een paar dagen niet gedaan heb, word ik nerveus. Wanneer ik de dingen die ik meemaak niet opschrijf, heb ik ze niet beleefd. Op een abstracter niveau geldt dat ook voor het schrijven van een roman: ik zit met een bepaald thema dat ik moet verwerken in een verhaal — dán pas heb ik het me eigen gemaakt.

 

 

Zo’n thema kan overal vandaan komen. Ik lees iets, ik hoor iets — mensen voeren bijvoorbeeld heel gekke gesprekken in de trein — dat blijft rondzingen in mijn hoofd. Vervolgens blijven andere beelden daar aan vastplakken, waardoor er een kluwen van aan elkaar klevende en op elkaar lijkende ideeën ontstaat. Dat groeit vervolgens uit tot een verhaal.

 

Ik schrijf alles eerst met de hand. Wanneer ik na een paar uur, of soms een paar dagen, een teksteenheid heb afgerond — een scène of een hoofdstuk — typ ik die over. Dat is dan ook meteen de sterk bewerkte tweede versie.

 

Voor de eerste versie maak ik altijd gebruik van de vulpen waarmee ik ook heb leren schrijven. Het enige wat wisselt is de kleur: soms schrijf ik in het blauw, dan weer met rode of zwarte inkt. De kleuren hebben voor mij geen symbolische waarde, maar ik heb wel het idee dat ze een bepaalde sfeer meebrengen. Ik hou heel erg van het moment dat je de vulling verwisselt. Er blijft dan nog een beetje van de vorige inkt achter dat mengt met de nieuwe kleur, waardoor er een tussentint ontstaat. Ik heb dan zelf ook de neiging om daar, verhaaltechnisch gezien, een overgang te creëren. Het gevoel doet denken aan het punt waarop mijn ene dagboekschrift vol is en ik verder ga in een nieuwe: dat blijft een symbolisch overgangsmoment — ook al slaat het eigenlijk nergens op.

 

Mijn werkdag begint, bij voorkeur, niet later dan negen uur. Ik word wakker, zonder wekker, ontbijt en zet thee, en zit een paar uur in een grote wollen trui en met mijn bril op te schrijven. Dan ga ik hardlopen en werk ik weer verder. Die beweging maakt mijn hoofd los; daarna gaat het altijd beter. Bewogen worden — reizend met de trein, bijvoorbeeld — werkt overigens ook goed, maar het schrijven doe ik toch het liefst thuis. Ik praat namelijk veel tegen mezelf: dan heb ik het over mijn personages, alsof ze vrienden van mij zijn. Soms spreek ik, hardop, de ene helft uit van een dialoog die een personage moet voeren. Ik test als het ware een scène uit, en kijk wat er gebeurt. Als ik dat doe, kom ik er beter achter wat een personage wil en hoe hij of zij is, en dan schrijf ik het op.

 

Hoewel ik heel gedisciplineerd werk, zijn er heus wel eens dagen dat ik mezelf vervloek, en tegen de muren aanloop. Dan wil het schrijven niet, of heb ik het gevoel dat waar ik mee bezig ben grof, plat en simpel is. Tolstoj schreef ooit aan een vriend over the energy of delusion: je hebt een zekere mate van waanzin nodig, een bepaald soort hoogmoed — de overtuiging dat jij iets aan het maken bent wat de moeite waard is. Als je die gekte hebt bereikt, is de rest peanuts.

 

 

Meer informatie over Bregje Hofstede vind je op bregjehofstede.nl.