Vet, zweet en tabak

door Mohammed Benzakour

Manuscript De avonden

 

Op 14 december van het gezalfde jaar 19xx, z’n verjaardag, bezorgde ik hoogstpersoonlijk een appeltaart aan Gerard Reve. Op de doos had ik een paarse envelop geplakt met daarin een kort briefje. Ik belde aan bij zijn huis in het Vlaamse Machelen. Het presentje wilde ik mijn inmiddels dementerende idool zelf overhandigen. Ik rilde van de zenuwen en de kou, ik had een lange, kleddernatte reis achter de rug. Joop deed open en nam me licht verstoord op. ‘Dit is voor de jarige Gerard,’ zei ik. Hij nam de taart vriendelijk gereserveerd in ontvangst maar liet mij, tegen m’n wens, niet binnen. ‘Gerard ligt ziek op bed. Sorry.’ En deed de deur dicht. Was dan die hele verdomde reis voor noppes geweest? Ik belde weer aan. Mijn schuchtere pogingen Joop op andere gedachten te brengen leverden, behalve een bijna moorddadige Joop, niets op. Op de terugweg naar de bushalte stak ik in een oud kapelletje een kaars aan voor Reve en bad voor zijn genezing. Op mijn briefje heeft hij nooit gereageerd. 

 

Nu, vele jaren later, ligt er een originele handgeschreven Reve-tekst voor m’n neus. Heel even beeld ik mij in dat dit Gerards dankbrief is aan mij, dank voor de appeltaart, en tevens ’n invitatie voor een avondje wijn en bokking, om te praten over katholieke dieren en Marokkaanse matrozenpakjes. Maar helaas, brieven heeft Reve talloze geschreven, Brief uit Edinburgh, Brief uit Camden Town, Brief uit Gosfield, Brief In Een Fles Gevonden, Brief uit Huize Algra, Brief door Tranen Uitgewist, Brieven aan Simon Carmiggelt, aan Sal Tas, aan Frits Boer, aan Jacques Presser, professor Trimbos, Josine M., Frans Pannekoek. Maar niet één aan mij. Ik heb hem dat nooit euvel geduid. Hij wist mijn adres niet.   

 

Maar wat er nu voor mij ligt is toch minimaal zo kostelijk: het enige echte manuscript van waarschijnlijk Neerlands mooiste en belangrijkste naoorlogse roman: De avonden. Het boek dat ik kan dromen. Proza van de jonge schrijver die als geen ander de Nederlandse letteren op hun grondvesten deed schudden (en die, godbetert, pas een halve eeuw later in Engelse vertaling verschijnt); de schrijver die met ongekend siervuurwerk het burgermansfatsoen uit een kalme slaap deed opschrikken, die de Griekse én rooms-katholieke beginselen uitzinnig bezong, Maria in sado-erotische teksten aanbad en God presenteerde als een ezel met wie het smakelijk paren is – Ja, van al dat schoonschokkende ligt hier, recht voor mijn neus, de onvervalste kiem. Op bloedecht papier. In bloedeigen schrift.

 

Ik kan ernaar kijken. Ik kan het aanraken. Ik kan het ruiken. Ik kan het niet geloven. Alsof ik zojuist in de ondergrondse hermitage van paus Bonifatius VIII een geheim sacrament ontdekte. Het duurt een poos voor ik met obstetrische omzichtigheid mijn vingertoppen over ’t lijntjesloze papier laat glijden, de koers volg van de zwierige letters, alsof ze me direct leiden naar Reve’s hersenkap. Voorzichtig breng ik het vel naar m’n neus, sluit m’n ogen, besnuffel de inkt. Ruik ik een zweempje zweet? Oude tabak? Wat is dat vlekje links bovenin? Een gemorst wijndrupje? Dronk hij toen al? Een veegje vet van een in een gietijzeren koekenpan opgewarmde bokking? Hé, kijk, het woordje ‘plof’ is geschrapt en vervangen door ‘bons’. En wat is dat? Twee rood-wit-blauwe vlaggetjes, handgetekend, de Hollandse en de Franse. Een verveeld moment? Een black-out? Zomaar een fantasietje…?

 

M’n gedachten dwalen af naar zijn zolderkamer, waar hij sliep en schreef, een 24-jarige knul met kort gekapt oorlogshaar. Een dikke trui om de borst, een paardendeken op schoot, gescheurde pantoffels, de winterkou die grimmig door de spleten van het raamkozijn tocht, dansende kaarsvlammen als schimmen op een kale muur… Het werk van de beulsknecht vangt aan. Buiten valt het lantaarnlicht op een oude boom, de duisternis kruipt uit een afvoerput. Met de rechterhand steunt de jongeman het hoofd, in de linker houdt hij gedachteloos spelend de inktpot vast. Zijn teer, bleek jongensgezicht met de grote donkere ogen kijkt bedrukt, nog niet de verwering van die barse kop, dat diep doorgroefde gelaat van later… twee uur erna zakt hij vermoeid weg op bed. 

Voorzichtig blader ik, zonder Büchiaanse handschoenen (met blote vingers is beter) door de stapels papieren. Ineens overvalt mij een vreemde, onbestemde weemoedigheid: dit bestaat niet meer. Dit bestaat domweg niet meer. Wie schrijft nog met een kroontjespen? Wie hanteert überhaupt nog pen en papier? Is de dweepzieke romanticus dood en verroest? Sta ik hier oog in oog met een uitgestorven diersoort?  

 

Elk tijdperk kent zijn eigen briljante specimen, natuurlijk, zijn eigen instrumenten. Heden ten dage zegenen wij ons met de Apple Macintosh. Strak design; fijn, licht, wit toetsenbord. Backspace, copy-paste, delete; heilige schepsels. Schepsels die elke twijfel, schroom of hapering met een zacht, nietsontziend tikje om zeep helpen; schepsels die alle kronkelige paden van gedachte naar tekst vakkundig afsnijden, terwijl intussen de 27 inch A1312 lcd-monitor als een zoemende neutronenbom alle mogelijke sporen van verveling, vermaak, lustigheid, dorst grondig en voorgoed uitwist. Even later floept een smetteloze tekst uit een smetteloze Canon i-SENSYS LBP6030W laserprinter.

 

Zonder vet. Zonder krassen. Zonder enig zweempje zweet. Bloedeloos.  

 

Ik kom overeind, snuffel nog eenmaal aan het papier, en berg de mappen op.

Het is gezien. Het is niet onopgemerkt gebleven.