Verboden vruchten

Het zal u niet ontgaan zijn: het thema van deze Boekenweek is Verboden Vruchten. Verboden Vruchten is tevens de titel van een nieuwe bloemlezing erotische literatuur, een recente novelle van Heleen van Royen en een Brunapocket uit de jaren negentig met als ondertitel Nog meer erotische fantasieën van vrouwen. De verboden vruchten zijn vrij verkrijgbaar, wil ik maar zeggen, terwijl ze nog niet zo lang geleden onder de toonbank moesten worden verkocht.

Breekijzer in deze kwestie was Han B. Aalberse. Nee, ik had ook nog nooit van deze schrijver gehoord – al was Aalberse in de jaren zestig in Nederland een bekende naam en werd zijn werk in het Engels, Duits, Deens en Japans vertaald. Maar zo gaat het met de roem: die is bederfelijk als, jawel, een vrucht. Aalberse was de auteur van de Bob en Daphne-boeken (ook bekend als De wijde horizon-cyclus), een romanreeks over jeugd en seksualiteit, waarvan het eerste deel in 1955 verscheen en vrijwel direct tot een gerechtelijk vooronderzoek leidde: het boek zou ‘aanstootbaarheid geven aan de eerbaarheid’. Een verboden vrucht zijn, dus. Dit, terwijl Aalberse meende met zijn boeken ‘opvoedende bedoelingen’ te hebben gehad.

 

De verboden vrucht is ontleend aan de vertelling Genesis 3, het verhaal van de zondeval; als Eva de vrucht eet van de boom van de kennis van goed en kwaad in de Hof van Eden. Door het eten van deze vrucht worden zij en Adam zich bewust van hun naaktheid, van het verbreken van hun belofte aan God, en worden ze uit het paradijs verbannen. Dit is enigszins vergelijkbaar, zij het wat drastischer, met hoe het ministerie van Justitie in 1959 Aalberses boeken uit de boekhandels probeerde te weren: tot 1965 liepen er diverse rechtszaken tegen de schrijver, die in dat laatste jaar bij de Hoge Raad eindigden – en in het nadeel van Aalberse werden beslist.

 

De ‘kennis’ in de vruchten van Aalberses geesteswerk was ook seksueel van aard. Onder zijn eigen naam – Johan van Keulen – publiceerde de schrijver eind jaren veertig en begin jaren vijftig een christelijke meisjesroman en seksuele voorlichtingsboekjes voor rooms-katholieke jongeren met titels als Meisjes vragen…! Een boek voor meisjes en Jongens vragen…! Een boek voor jongens van 16 jaar en ouder en mijn lievelingstitel: In de wachtkamer van het huwelijk: Een boek over het sexuele leven en de verloving, voor jonge mensen van omstreeks 20 jaar en ouder. De strekking van de boeken is met een citaat uit Meisjes vragen…! goed samen te vatten:

 

‘Hoe nu die geslachtsdaad of eenwording van man en vrouw tot stand komt is iets, waarover je voorlopig je hoofd niet behoeft te breken. Onthoud goed, dat de geslachtsdaad niet tot puberteitsland behoort.’

 

Aan dat advies zou Aalberse zich algauw zelf niet houden. 

 

Dagvaardig en Liesbeth en de Wereld van Bob en Daphne. Collectie: Literatuurmuseum

 

Het eerste Bob en Daphne-boek verscheen in 1955, en werd verboden – een verbod dat na enkele maanden werd teruggetrokken. Het boek is in zijn geheel online te lezen. Het is niet geweldig geschreven. Dit zijn de openingszinnen:

 

Hij zat op een stoel tussen de naar binnen openstaande helften van een der hoge ramen, met zijn ellebogen leunend op de balustrade, en staarde de donkere tuin in. Er was bijna geen wind. Een zoete bloemengeur, waarin de reuk van kamperfoelie soms even te onderscheiden was, vleugde in de warme nachtlucht de kamer binnen.

 

Hoofdpersoon Bob is zestien jaar oud, Daphne is twaalf – dat is ongemakkelijk en beschamend, zeker als je weet dat de schrijver ten tijde van publicatie achtendertig was. Zinnen als ‘Ik vind niets aan grote, dikke, lillende vrouwen zoals je die op de schilderijen van Rubens ziet’ duiden op pedoseksualiteit (al is Bob zelf ook nog minderjarig). ‘Maar beneden ben ik nog klein en kaal,’ zegt Daphne, als ze onzeker is of ze vrouw genoeg is. ‘Wat schudt dat gek als je lacht.... Is het erg, dat ik beneden nog een klein meisje ben?’

‘Wel nee. Een hoop gezeur minder.’

 

Nu is het de auteur natuurlijk toegestaan om pedofilie en pedoseksualiteit op papier te verkennen – zie Nabokovs Lolita en recentelijk Hanya Yanagihara’s A Little Life – om deze dingen beter te begrijpen, maar het is wel fijn als er dan diepte in de karakters en hun wereld komt.

 

Bob is – en blijft het hele boek lang – een pianospelende crypto-kakker, die in een bad vol privileges is gevallen (‘Toen mijn vader de kunsthandel van zijn vader overnam (mijn grootouders gingen in Nice rentenieren) was er alleen nog maar dat grachtenhuis’: let op dat ‘alleen nog maar’, en het voorlichtingsgesprek tussen vader en zoon over seks vindt plaats in Parijs), en daar als zelffeliciterend, wereldblind roofdier uit is gekomen. Daphne is een volks meisje, maar een ‘prinsesje’, wier mond ‘kunstenaars inspireert’, ze ‘hijgt al licht’ als ze trappen beklimt, en praat met ‘een zoet stemmetje’. De seksscènes zitten vol verzuchtingen, rolbevestigende patronen, misselijkmakende mierzoete verkleinwoordjes.

Wie Bob en Daphne als tieners ziet die hun eerste seksuele stappen maken (al is Bob wat meer ervaren) kan zulke gemeenplaatsen nog wel over het hoofd zien, al is dat soms écht lastig:

 

Zijn lippen woelden en zogen, gleden over en tussen de hare, duwden met een plezierige drang haar mond verder open, tot ze haar tanden stevig raakten. Duurde dit uren of minuten? Toen hij zijn mond terugtrok, slaakte zij een sidderende zucht en keek vanonder haar wimpers naar zijn gezicht.

 

Al met al overtuigt het proza niet echt: het komt niet boven het cliché uit, het benoemt wat er duimendik bovenop ligt, en het erotiseert niet – de vele vergelijkingen met bootjes en treintjes deden het bij deze lezer in ieder geval niet goed:

 

'Dit zijn twee belangrijke stations,' stamelde hij hijgend, en nam de toppen van haar zachte heuvels beurtelings stevig tussen zijn lippen met een stukje van de dunne zachte stof, die ze bedekt hield. Bij haar maag nam hij een plooi van het hemdje tussen zijn tanden en trok het los.

'Mag het treintje door de tunnel?'

'Ja, ja....' Zijn tanden trokken het hemdje hoger en hoger, tot zij het vastpakte, half overeind kwam en het met beide handen over haar hoofd trok. Met een vreugdekreet begon de tweede reis van station naar station, nog onstuimiger dan de eerste.

Maar goed, dit waren de jaren vijftig en zestig: SBS6, het internet en Kim Holland bestonden nog niet en wat verboden was wilde men proeven. Bob en Daphne en opvolger Liesbeth en de wereld van Bob & Daphne werden, mede door alle rechtszaken, bestsellers (60.000 exemplaren verkocht). In 1968 plaatste Uitgeverij Oisterwijk een grote advertentie met een foto van Aalberse in de krant (de advertentie lijkt nog het meeste op een wanted-poster): ‘Dit is de schrijver van Bob en Daphne, waar de Hoge Raad jaren over wakker lag.’

Bij verschijning werd het eerste boek van de Bob en Daphne-reeks door het ministerie van Justitie in beslag genomen omdat de roman zedenkwetsend en pornografisch zou zijn. Het boek bleef onder de toonbank verkrijgbaar. Het tweede deel verscheen en er gebeurde niets. Maar na verschijning van het derde deel kwam de schrijver achtenveertig uur lang in de gevangenis terecht. In het archief van het museum is een postpakket te vinden met daarop een sticker waarop staat dat het manuscript dat erin zat direct in beslag werd genomen – en een dagvaarding.

Diverse auteurs zoals Victor van Vriesland en Jef Last namen het voor de schrijver op, hij werd in de rechtszaal bijgestaan door Arie Mout, die in 1968 de beschuldiging van ‘aanstotelijkheid van de eerbaarheid’ met een contextualisering van het boek in de internationale literatuur wilde ontzenuwen: Nederland was literair gezien geen bekrompen provincie, toch?

 

Dat is waar de schoen wringt: nee, Nederland moet literair gezien geen bekrompen provincie zijn. In een roman moet veel – zo niet alles – ter sprake gebracht kunnen worden. Dat de boeken dus als ‘pornografie’ werden bestempeld, is bespottelijk – net zo bespottelijk als het verbod op pornografie zelf (in 1971 werd de strafbaarheid van ‘geschriften en afbeeldingen aanstotelijk voor de eerbaarheid’ dan ook opgeheven). Dat Aalberse door alle rechtszaken ‘psychisch uitgewrongen’ raakte (aldus Aleid Truijens) en zich ‘gebrandmerkt’ voelde als ‘schrijver van vieze boekjes’ is triest.

 

Maar: De liefde van Bob en Daphne – leest ondanks twee verschillende vertelperspectieven en een barokke vertelstijl niet als literatuur – het voelt vaak als de natte droom van een vieze oude man aan – een pedoseksueel – vervormd door het perspectief van een zestienjarige jongen. Door de veranderende tijdsgeest kwam er een grotere persvrijheid voor ‘erotisch werk’ – en ‘verboden vruchten’ als Turks Fruit (1969) waren bij elke ‘aardige boekhandelaar’ beschikbaar – maar de boeken van Johan van Keulen zijn ondanks de vele vertalingen geen literaire titels van internationaal formaat, sterker nog: dat zijn ze zelfs niet van nationaal formaat. Daarvoor is de stijl te kitscherig, het wereldbeeld van de beschreven jongeren te vlak, en bagatelliseren de boeken de beschadigende gevolgen van seks voor kinderen te veel (er is geen gelijkwaardigheid tussen Bob en Daphne). Wat daar ‘opvoedend’ aan is, mag Joost weten. Toegegeven, ook die opvatting is onderhavig aan de tijd, maar ook in de jaren vijftig en zestig en zeventig had dat aanstoot moeten geven: de ongelijkwaardigheid en perversiteit van de beschreven seks – niet het gegeven dat seks werd beschreven.

 

Manuscript Liesbeth en de Wereld van Bob en Daphne . Collectie: Literatuurmuseum