Unieke tv: Gerard & Karel

door Mohammed Benzakour

Het zal niet vaak vertoond zijn op de Nederlandse televisie: een schrijver die spontaan een dans uitvoert. We noteren Theater Bellevue, het goede wijnjaar 1974. Een man in pak staat ineens op en maakt voor het oog van de camera vreemde bewegingen. Sierlijk zwaait hij met lijf en armen en houdt de blik vroom gericht op de hemel. Een epifanisch Kodak-moment. Het is echter geen dans die geboren is uit een plotselinge, niet te onderdrukken opwelling om met de heupen te wiegen. Natuurlijk niet. Het is Gerard Reve. Het is spotternij. Gerard persifleert de dansers van de agitprop-achtige toneelgezelschappen die de ‘socialistische opbouw’ willen uitbeelden. Festivals waar altijd wel iemand met de microfoon naar voren treedt en roept: ‘Het kapitalisme is verrot!’ Griezelige mensenmassa’s vol ‘maniakaal marxisten’ en ‘terreurgroepen die brandjes stichten en de politie uitdagen’; ‘rode troepen’ die met hun ‘linkse geloei’ universiteiten teisteren en hoogleraren het spreken onmogelijk maken; ‘communistische hordes’ die hun legitimatie vinden bij die ‘kale uilenbal’ van de PvdA, een partij die al in naam een aanfluiting is, ‘alsof iemand die niet lid is van deze partij geen fluit uitvoert’; een partij bovendien waarvan het electoraat bestaat uit notoire zwendelaars die terwijl ze in de ziektewet lopen zwartwerken en die alleen al daarom op weg van en naar hun werk hun woonwijken niet zouden mogen verlaten en dit uitsluitend met ‘speciale verlofpasjes’ (quote uit De Taal der Liefde).

" width="500" height="367" frameborder="0" webkitallowfullscreen mozallowfullscreen allowfullscreen>

Interviewer: Is dit een literaire tournure, een practical joke, of een ernstig bedoelde bijdrage aan de ruimtelijke ordening? ‘Ach,’ antwoordt Gerard...

 

Het is iets dat je ontsnapt en het is voor Nederland niet zo goed natuurlijk, omdat de Nederlander eigenlijk verschrikkelijk weinig humor heeft. De Nederlander denkt dat hij verschrikkelijk lollig en verschrikkelijk intelligent is, maar de Nederlander is eigenlijk een soort Duitser, die zich verbeeldt dat hij geen Duitser is omdat hij melk drinkt. […] Het is gein natuurlijk. Een soort ontboezeming die je gewoon op natuurlijke wijze ontvalt. Omdat je hoort: de arbeider heeft altijd gelijk […] die is boven de wet verheven, die hoeft niet vervolgd te worden.

 

De interviewer laat zich niet bedotten en citeert opnieuw: ‘Alle koffiebonen in de Jumbo en opgehoepeld.’

Gerard: Weet u, dit zijn gedachten die iedereen heeft. Als ik dit in gezelschap vertel, schiet iedereen in de lach. Hoe kan dat dan?

Interviewer: Welnu, ik schiet niet in de lach. En me dunkt dat de mensen op wie dit slaat zich bedreigder zullen voelen dan u.

Gerard: Het is allemaal show. Ik ben geen racist, maar je voelt je als blanke meer dan een neger. En als dat niet zo is, dan hebben ze dat geweldig weggecijferd.

 

Mijn Geleerde Broer

 

En zo gaat het nog eventjes door. Mag ik dit interview vermakelijk vinden? Zeker. En weet u waarom: dit is unieke televisie. Allereerst moeten we de tweede gast niet vergeten: Gerards broer Karel, professor Slavische talen in Leiden. Voor zover ik kan staven is het voor het eerst én laatst dat deze twee Reve-telgen als duo zijn geïnterviewd. Karel laat alle sanguinische snibbigheden van Gerard half geamuseerd over zich heen komen. Zegt weinig, mompelt af en toe wat, relativeert Gerards kwajongensstreken met ‘ach welnee’, ‘valt reuze mee’, etc... Een ijzeren hein die zich nergens meer druk om maakt en die achteroverleunend de ene sigaret na de andere opsteekt. Waar Gerard zich in paradoxale rookgordijnen verbergt, hult Karel zich in de kringelende rookslierten van zijn eigen sigaretten. Alleen dat al.

 

De twee broers lagen mekaar trouwens sowieso nooit lekker. Gerard noemde Karel spottend ‘mijn Geleerde Broer’ en later ‘Geleerde Halfbroer’. Dat deed hij zo vaak en consequent dat velen dat als waar gingen beschouwen. Karel, op zijn beurt, vertelt in 1996 aan Het Parool dat Gerard ‘geweldig goed kan liegen’; dat hij ‘als kleine jongen allerlei dingen verzon die hij zogenaamd beleefd had’.

 

Unieke tv

 

Unieke tv, óók vanwege de brandende actualiteit ervan. Immers, horen we niet in ons huidige parlement en in de krantenkolommen de echo’s van het naoorlogs xenofobisch populisme – zij het nu met veel minder humor en esprit.

Natuurlijk is Gerard veel te slim en origineel om afgeserveerd te worden als platte racist. Zelf plakt hij er een menslievend-malthusiaans motief op: ‘Kijk, ik zou willen wijzen op het onmenselijke van het experiment om mensen uit een totaal ander werelddeel te halen, uit een gebied met totaal andere culturele structuren, een hele andere levenssfeer, en die mensen hier neer te poten en te hopen dat alles goed gaat, terwijl die mensen niet aan de slag komen en aan sociale ontreddering ten prooi zijn. Dat is pas racisme.’

 

Een rasposeur

 

Boven alles is Gerard een geboren aandachtstrekker. Een rasposeur. Alles voor de verkoop van zijn boeken.

 

Ik zeg vandaag dat ik voor geld schrijf, morgen voor God en de Kunst, en de dag daarna voor hoge mensen die mijn werk bevorderen. Ik maak de mensen wat wijs, maar ik maak mezelf niks wijs.

 

Zo is dat. Gerard maakt zichzelf niks wijs; een man die schrijven én praten kan als God en duvel – en dat als geen ander weet.   

 

Unieke tv, die tegelijk weemoedig stemt. Het zwart-witte beeld, kaal decor, inferieur geluid, geen reclameonderbrekingen, geen hijgerige zapservice, maar wel: twee markante gasten én een meesterinterviewer (W.L. Brugsma betoont zich een zeldzaam eloquent en erudiet gastheer) die op mens en maatschappij reflecteren. Op tafel een fles wijn en een oud PTT-draaitoestel – waarop drie keer wordt gebeld. Eerst een man, een arbeider, die Gerard uitmaakt voor een kereltje dat heel hard ‘poep!’ roept en dan wegloopt. Vervolgens componist Peter Schat, die Gerard een quote voorlegt uit een Amerikaans boek waarin Gerard pleit vóór interventie van de USA in Vietnam, waarop Gerard woest repliceert dat hij weigert in te gaan op een halve zin. ‘Dit is weer die bekende communistische vervalsing!’ En, tot slot, niemand minder dan schrijver Maarten Biesheuvel, die, nadat hij beide broers voor ‘met fascistoïde trekken overgoten schoften’ uitmaakt (beide broers lachen uitbundig), zich met overslaande stem beklaagt dat hij ‘de ballen snapt van al dat politieke geoudehoer’ en dat het nu hoog tijd is om eens over Mozart of Melville te praten in plaats van ‘het Nederlandse volk in verwarring te brengen met dingen die ons toch allemaal boven de pet gaan’.

Helaas, de tijd was op voor Mozart of Melville.

 

Zeven jaar geleden flikkerde ik mijn tv het huis uit. Na het bekijken van deze verrukkelijke uitzending uit de oude doos weet ik weer waarom.