UNIEK UNIEK UNIEK HAAST U - Maakplezier, daar draait het om.

door Elfie Tromp

Mooie jongens, mooie dieren en mooie boekjes. Ik kan er emotioneel van worden. Soms is schoonheid zo eenvoudig, zo oprecht, dat ze recht in het hart treft.

Als hoofdredacteur van literair tijdschrift Strak raak ik verrukt van het maakplezier van andere blaadjesmakers. De schoonheid van mooi papier, een fijne letter of een speels typografisch element. Niet gekozen voor een winstelement waar de commerciële bladen zo eenvormig van worden, maar gewoon, omdat de maker het leuk vindt. De Schoone Zakdoek en Braak zijn van die bladen waar ik een snik van in mijn keel krijg.

 

‘Editie 1 Nummer 1’ staat er in een lichtgroene waterverfletter op de eerste pagina van De Schoone Zakdoek. Het is niet meer dan een paar gladde bij elkaar gebonden vellen met een stukje wol. Opgericht in 1941, door de geliefden Theo van Baaren en Gertrude Pape.

Herkenbaar, want tijdschrift Strak bedacht ik ook tussen de lakens met mijn mooie jongen Jerry Hormone. En nu, vier jaar later, zijn we bij nummer 6 aanbeland. Het gaat niet hard, maar wel met plezier. Onze oplage ligt optimistisch altijd in de honderdtallen.

Voor Theo en Gertrude hoefde dat niet. Ze maakten slechts één enkel exemplaar van elke editie. Zo omzeilden ze de Duitse censuur en hoefden ze nooit te drukken. In een tijd van schaarste was dat haast een onmogelijke opgave. Elke maandagavond hielden ze een salon voor vrienden en geïnteresseerden. Daar kon men de Zakdoek lezen.

De eerste editie is voornamelijk gevuld met eigen werk: gedichten van Theo, droedels van Gertrude. Ome Piet verzorgt de kinderpagina. Versierselen geknipt en geplakt in de hoeken, een voorliefde voor dada en cadavre exquis.

In vier jaar tijd maakten ze 35 edities. Als creatief houvast dreef dit speelse, lichte blad zijn makers door de oorlog. Daarna zouden de schrijvers uitwaaieren en opbloeien in het literaire landschap. Het blad achterlatend in zijn cultstatus, waar het, tot de dag van vandaag, in literair tijdschriftland, op eenzame hoogte met zijn gladde bladeren wappert.

 

Braak, dat op braaf schoolschriftjesformaat verscheen, heeft wat meer pretentie dan de Zakdoek. Het zit al in de naam: een vuist tegen de romantische opvattingen van criticus Menno ter Braak. Heerlijk, dat soort kinnesinne. Ik zou vereerd zijn als iemand het blaadje Tromp zou uitbrengen. Met daarin alleen maar doodserieuze, kuise bespiegelingen.

In 1950, toen de drukpersen weer wat makkelijker bereikbaar waren, werd Braak in elkaar gedraaid door Remco Campert en Rudy Kousbroek. Lucebert en Karel Appel zorgden voor waanzinnige tweekleurige taaltekeningen op de voorkant en binnenin. En ook een later icoon als Hugo Claus leverde een bijdrage in zijn jonge witte-bonen-in-tomatensausdagen.  

 

 

Ik stel me ze zo voor, rond de keukentafel. Die blanke, gladde jongens. Met hun borstkasjes vooruit en hun vuistjes op tafel. Hun mondjes vol meningen. In al hun eenvormigheid durfden ze te beweren dat zij avant-garde waren.

Het was het tijdperk van de witte snelle jongen. Het was het tijdperk dat negers literair gezien alleen in gedichten opdoken. Vrouwen waren er alleen om verliefd op te worden. Ik was daar graag bij geweest. Dan had ik een antwoord op Braak op mijn zolderkamer in elkaar gedraaid: het tijdschrift Kots, dat zou ageren op die snelle jongens die zichzelf uiteindelijk de Vijftigers zouden noemen