Somber op een manier die vrolijk maakt

door Lieke Marsman

Onlangs verscheen de bloemlezing De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer. Daar is al veel over geschreven, met name over wie er wel en niet in hadden moeten staan. Twee opvallende namen van ontbrekende dichters zijn Gerard Reve en Judith Herzberg. Reve zou met het maximaal aantal gedichten opgenomen worden, maar zijn erfgenaam vroeg te veel geld. Van Herzberg had Pfeijffer geen enkel gedicht kunnen vinden dat hij goed genoeg vond.

 

Grappig genoeg ontdekte ik een paar dagen na het verschijnen van de bloemlezing in het Literatuurmuseum een (kopie van een) korte correspondentie uit 1969 tussen de twee dichters.

 

De briefwisseling begint met de vraag van Herzberg of Reve haar een gedicht dat ze hem heeft horen voorlezen kan sturen. Of de twee elkaar dan al goed kennen wordt niet helemaal duidelijk, maar Reve reageert amicaal (zij het op zijn eigen wijze). Hij vindt het werk van Herzberg erg mooi, ze heeft trouwens ook een hele goede naam voor een dichter (‘ook internationaal’), en hij stuurt haar een gedicht waarvan hij hoopt dat het het juiste is. Daarnaast merkt hij op dat hij Herzbergs gedichten wel een beetje te somber vindt.

 

Herzberg reageert: 'Ik vind het jammer dat de somberheid van mijn gedichten je niet bevalt, ik was graag somber op een manier die vrolijk maakte. Zelf word ik altijd somber van onsombere boeken.'

Foto: Anneke Benda

 

Dat vind ik mooi gezegd. Ik word ook somber van onsombere boeken. Het allereerste gedicht dat ik ooit las van Judith Herzberg, überhaupt het eerst gedicht dat ik ooit las of in ieder geval het eerste gedicht dat ik ooit mooi vond, was het sombere gedicht ‘Geen pijn’, uit de bundel Beemdgras. Ik zou het zo in een bloemlezing zetten.

 

Terug naar de correspondentie. De somberheid zou Herzberg volgens Reve kunnen bestrijden door eens wat meer naar alle mooie dingen in de wereld te kijken. Zusters in ziekenhuizen bijvoorbeeld, die voor zieke mensen zorgen, noemt hij als goed voorbeeld van zulke mooie dingen. Minder mooi: armoe. Daarna begint Reve over geld. Hij informeert of Herzberg nog iets van geld te wachten staat, van haar familie bijvoorbeeld. Zelf heeft hij nog nooit een cent van zijn familie gekregen (Herzberg: 'het spijt me dat ik niet heel oud en rijk ben, en een oom van jou'). Daarnaast vraagt hij of het klopt dat Herzberg samen met nog wat andere schrijvers in een groepje zit dat zo nu en dan op bezoek gaat bij het Koninklijk Huis om daar voor te lezen. Hij wil graag eens aanschuiven en vraagt Herzberg dat te regelen.

 

Herzberg vindt het een heel goed idee en zegt dat ze het voor zal stellen aan de rest van de groep. 'Ik gaf Beatrix een gedicht van Chris van Geel waarin Wilhelmina een ijsbeer is en dat vond ze mooi, dus over het ezeltje zal ze niet vallen.' Uiteindelijk blijkt echter dat de samenstelling van de groep voor nu vaststaat, en dat er ook geen of weinig geld met de optredens gemoeid is. Herzberg schrijft dat ze verwacht dat er in de toekomst nog wel weer een groepje op slot Drakensteijn wordt uitgenodigd, en dat Reve er dan ook bij zal zitten, want de koninklijke familie is echt erg in hem geïnteresseerd. Dit is dan voorlopig de laatste (bewaarde?) brief tussen Reve en Herzberg.

 

Een jaar later volgt nog een briefje van Herzberg waarin ze vraagt of Reve de Amerikaanse dichter Robert Lowell, op dat moment in Nederland bij haar op bezoek, wil ontmoeten. Uit wat volgt (Reves antwoord is niet in het archief opgenomen) maak ik op dat Reve nee heeft gezegd, omdat hij Lowell te revolutionair zou vinden, een schrijver die ‘de heerschappij van het gepeupel preekt’.

 

In haar antwoord aan Reve zet Herzberg dit beeld van Lowell recht. 'Lowell is (…) tegen revolutie en elke vorm van geweld, daarom protesteerde hij tegen de oorlog, waarbij hij wèl iets op het spel zette (…) en hij heeft wèl ‘één stukje levensgeluk’ geofferd, toen hij n.l. als dienstweigeraar in de gevangenis zat en zijn hele familie hem in de steek liet.'

 

Interessant aan de correspondentie vind ik de toon ervan. Beide schrijvers hebben een humorvolle en laconieke manier van formuleren. Toch bepaalt Reve het geschreven gesprek: hij stelt de vragen, springt in zijn brieven van de hak op de tak, en Herzberg antwoordt, volgt. Je merkt dat Herzberg respect heeft voor de man aan wie ze brieven schrijft, maar dat met iemand als Reve corresponderen soms zelfs ook op papier ongemakkelijke situaties veroorzaakt. Zijn manier van schrijven is ontwapenend, maar komt door zijn gespeelde naïviteit soms ook betuttelend over. Gelukkig doorbreekt Herzberg dit spel in de brief over Lowell door Reve er op te wijzen dat hij van Lowell weinig weet. Of de twee daarna nog gecorrespondeerd hebben, ik ben benieuwd…

GEEN PIJN

 

Geen pijn en zie

een groot stuk lucht

met zwaluwen en zelfs

een reiger.

 

Maar moe van het

gebogen en bewogen worden,

moe op de wijze

van ijzer.