Schrijven of strijken?

door Lieke Marsman

In de geweldige Vasalis-biografie van Maaike Meijer1  lees ik hoe Judith Herzberg haar vriendin Vasalis (Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans a.k.a. ‘Kiek’) ertoe probeert te bewegen haar gedichten in het net over te schrijven. Dit is iets wat ‘amper lukt’ omdat Vasalis van nature terughoudend is wanneer het haar poëzie aangaat.

 

Zo terughoudend zelfs, dat ze haar gedichten alleen maar voor wil lezen aan Herzberg – de gedichten op papier nalezen mag Judith niet.

Behoedzaamheid

 

Het zijn anekdotes als deze die me doen beseffen dat het een voorrecht is om de handgeschreven gedichten van Vasalis in het Literatuurmuseum zomaar voor me te hebben liggen. Maar Vasalis’ behoedzaamheid in acht genomen, heeft het ook iets onkies. Een leven lang bescherm je je poëzie, en nu je dood bent kan iedereen je manuscripten opvragen en inzien, klinkt het in mijn hoofd terwijl ik het manuscript van ‘De kleine zeemeermin’ probeer te ontcijferen.

Waar kwam Vasalis’ behoedzaamheid vandaan? Ik weet van veel schrijvers dat ze het moeilijk vinden dingen die nog niet af zijn met de wereld te delen (zelf schaam ik me altijd een beetje, denk dan: het kan nog beter, waarom zou ik een versie van mezelf laten lezen die niet de beste is?) en het lijkt erop dat hier Vasalis’ probleem zat: ze heeft moeite haar gedichten ‘af’ te verklaren. Ze in het net overschrijven, ze aan iemand laten lezen – het zal ze op slot gooien. Zodra je een gedicht aan de buitenwereld toevertrouwt, kun je er niet meer aan sleutelen (hoewel er ook dichters zijn die hier minder last van hebben en hun gedichten druk na druk aanpassen). Niet of weinig schrijven lost dit probleem op. Een gedicht dat niet echt begint, hoeft ook niet af. En maakte Vasalis een gedicht wel af dan was ze al gauw ontevreden.

 

Dat door haar moeite met afronden haar oeuvre vrij beperkt bleef is enerzijds spijtig, anderzijds geeft het de gedichten die ze wél publiceerde een iconische status.

Iconische status

 

Zulke iconische gedichten (‘Het ezeltje’, ‘Fanfarecorps’, ‘De dood’) terug te zien in manuscript is behalve onkies daarom ook fantastisch. Keer op keer las ik Parken en woestijnen, De vogel Phoenix en Vergezichten en gezichten. De gedichten van Vasalis zijn zozeer een eigen leven gaan leiden dat het moeilijk is om me in te denken dat ze ooit, tientallen jaren geleden, door iemand (nou ja, door Vasalis dus) zijn neergepend, misschien in een opwelling, misschien na urenlang broeden, misschien tussen het zien van twee patiënten in – want sommige gedichten zijn geschreven op het briefpapier van haar psychiatrische praktijk (ze was ‘zenuwarts’), hetzelfde papier waarop ze haar recepten uitschreef.

 

In dit laatste komt Vasalis’ worsteling tussen werk en poëzie naar voren: moest ze voor haar vak kiezen of voor het schrijverschap? In een brief die in de biografie gedeeltelijk is opgenomen schrijft ze dat ze jaloers is op mensen voor wie het schrijverschap een vanzelfsprekendheid is, mensen die zonder twijfel voor de kunst durven te kiezen, voor wie hun kunst onontkoombaar is.

 

Als ik klaag, dat het huishouden mij dwars zit, en dat ik geen tijd heb voor mijzelf, dan heb ik een gevoel, dat de fout bij mezelf zit, en als ik me afvraag wat belangrijker is: mijn kind te verzorgen en er zo voor te zijn als mijn moeder voor ons geweest is en is, óf om te schrijven, dan geloof ik, dat ik het eerste kies (in stilte hopende, dat het tweede ook nog erbij kan).2

 

Parken en Woestijnen

 

Maar is er ooit een schrijver geweest die deze twijfel niet kende? Zelfs voor wie schrijven vanzelfsprekend is geldt de vraag: hoe lang houdt vanzelfsprekendheid aan? Dat Vasalis haar debuutbundel Parken en woestijnen af wist te ronden aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, bevestigt voor mij dat schrijven ook voor Vasalis onvermijdbaar was. Het hele land stond op zijn kop – Vasalis schreef. Misschien niet veel, maar toch, ze schreef. En wanneer ik lees dat zelfs iemand als Vasalis twijfelde tussen zich op haar gedichten storten en huishoudelijke taken doen, geeft dat mij moed. Vasalis’ manuscripten in mijn hand te houden, wetende dat dit ondanks alle twijfel uiteindelijk toch het papier heeft bereikt, en daarna duizenden lezers, maakt dat iedere regel me onontkoombaarder aandoet.

 

Thuis word ik vanaf de hoek van mijn bureau aangekeken door een brief van de woningstichting die beantwoord moet, en eigenlijk kan ik me niet voorstellen dat er ooit iemand een huishouden heeft gerund zonder erover te klagen, zonder zich af te vragen of het ergens anders ten koste van ging. Maar Vasalis’ gedichten lijken iets te weten wat de dichter zelf niet wist: het schrijven kan er altijd bij, en dat maakt het niet minder vanzelfsprekend.

 

 


[1] M. Vasalis. Een biografie, Maaike Meijer, Van Oorschot 2011, p. 718

[2] Idem, p. 291