Red Marsman, die in Frankrijk woont, o God

door Peter de Bruijn

H. Marsman kwam om het leven toen op 21 juni 1940 het vrachtschip verging waarmee hij het dreigende oorlogsgeweld in Europa wilde ontvluchten. Twee dagen eerder was de Berenice vanuit Bordeaux richting Engeland vertrokken. Het schip had tweeëntwintig Nederlandse en Belgische vluchtelingen aan boord. Na lange omzwervingen en oneindig veel bureaucratisch gedoe was het hun uiteindelijk wél gelukt een vertrekvisum te bemachtigen. Van de in totaal 47 opvarenden zouden slechts acht personen de ramp overleven.

 

Een dichter op de vlucht

 

Henny (zoals hij door vrienden werd genoemd) en zijn vrouw Rien Marsman woonden al jaren in Frankrijk. In september 1939 hadden ze zich gevestigd in St. Romain, een plaatsje in het oostelijk gelegen departement Cote-d’Or. Daar waanden zij zich relatief veilig, ook toen ze – na het uitbreken van de oorlog – stromen vluchtelingen uit België en Luxemburg voorbij zagen trekken, ‘als vee op auto’s en camions gepakt’. Eind mei 1940 echter, toen de Duitse troepen ook in Frankrijk steeds dichterbij kwamen, besloten ze een veilig heenkomen te zoeken.

 

Het echtpaar belandt in Bordeaux en daar begint een veertien dagen durende strijd om de benodigde reispapieren te verkrijgen. Wat Marsman hierover schrijft in zijn brieven, is anno 2016 herkenbaar genoeg:

 

Sinds gisteren worden alle Hollanders, hoe perfect hun papieren ook zijn, en al hebben zij tickets en god weet wat voor kruiwagens, eenvoudig vastgehouden aan de grens. Ik ga nu nog naar het Engelsche consulaat en heb een kleine kans op een doorgangsvisum voor Portugal, maar [...] al zou ik alle visa en tickets ter wereld hebben, [ik ben] totaal onzeker of de zaak lukt. (1 juni 1940)

 

’t Is een bureaucratische janboel, geen zweem bovendien van internationaal overleg; en de bepalingen, dus ook de kansen wisselen met den dag. (5 juni 1940)

 

Ik ben nog niets verder, maar ik weet nu althans - na een krachtige woordenwisseling met een bureaucratisch sinjeur - hoe de vork in de steel zit, want zelfs dat werd je eerst niet gezegd; de Franschen willen de vreemdelingen opnieuw controleeren. Dat kan een tijd duren, als het secuur en systematisch gebeurt. (9 juni 1940)

 

 

Het verlossende woord komt na tien dagen uit onverwachte hoek. Het Nederlands consulaat had verordend dat Nederlandse vluchtelingen een plaats aangewezen zouden krijgen op een van de Nederlandse schepen die naar Bordeaux waren uitgeweken. Op 19 juni 1940 krijgt het echtpaar Marsman een scheepspassage en diezelfde dag nog, om vijf uur ’s middags, verlaat de Berenice de haven.

 

Noodlot

 

Op de 21e juni, om kwart over zeven ’s ochtends, doet zich op het schip een hevige explosie voor, en binnen drie minuten zinkt de Berenice naar de bodem van de Golf van Biscaje. Alleen wie zich op dat moment bovendeks bevindt heeft een kans de ramp te overleven.

 

Voor slechts acht van de 47 opvarenden is dat het geval: de kapitein, zes bemanningsleden en – als enige van de vluchtelingen – Rien Marsman. Haar redding heeft ze te danken aan twee nogal triviale omstandigheden: als enige passagier draagt ze permanent een zwemvest aan boord, en ook bevindt ze zich als enige passagier op het bovendek, waar ze bezig is het ontbijt klaar te maken.

 

Volgens Riens eigen verhaal is ze door de explosie in zee geslingerd en heeft ze zich drijvende kunnen houden aan een stuk wrakhout. Ze wordt opgepikt door een schip dat vanaf Bordeaux met de Berenice in konvooi voer. Daarmee bereikt ze Engeland, waar een maandenlang verblijf in ziekenhuizen volgt. Rien heeft dermate zware verwondingen aan haar voet opgelopen dat ze meermalen moet worden geopereerd. Contact met familie en vrienden is door de oorlog voorlopig onmogelijk.

 

Schok

 

In Nederland wordt het nieuws van Marsmans tragische dood pas een maand later bekend. Het Vaderland meldt het bericht als eerste, maar tast dan nog in het duister over wat er is gebeurd. Volgens de krant zou de dichter met zijn vrouw naar Portugal zijn gevlucht: ‘We waanden hem daar veilig, maar hij schijnt er niet gebleven te zijn en nu heeft de dood hem verrast.’

 

De schok is des te groter omdat – zoals de krant memoreert – kort daarvoor ook drie andere literatoren de dood hadden gevonden: Menno ter Braak pleegde zelfmoord op de dag van de Duitse inval, E. du Perron stierf aan een aanval van angina pectoris, veroorzaakt door de schok van een bombardement en de minder bekende Jo Otten kwam om bij het bombardement op Den Haag. En nu dus Marsman. ‘De dood grijpt gruwelijk rond onder de jonge Nederlandsche letterkundigen’, aldus de krant.

 

Zodra de werkelijke toedracht bekend is wijzen verschillende in memoriam-schrijvers al op het bijna beangstigende gegeven dat Marsman zijn dood in zijn gedichten heeft voorspeld, bijvoorbeeld vele jaren eerder in ‘De overtocht’:

 

De eenzame zwarte boot
vaart in het holst van den nacht
door een duisternis, woest en groot,
den dood, den dood tegemoet.

 

ik lig diep in het kreunende ruim,

koud en beangst en alleen

en ik ween om het heldere land.

dat achter den einder verdween

en ik ween om het duistere land

dat flauw aan den einder verscheen.

 

 

Deze dichterlijke profetie is ook in andere gedichten terug te vinden, zoals in de volgende regels uit ‘Maannacht’, waarin een slingerend schip zich ‘in doodsangst / kampende houdt / op het kolkende water’:

 

ik lig in het ruim naast een vrouw

haar borsten rijzen en dalen;

zij slaapt, zij denkt nu alleen

in haar dromen aan het geluk;

hoe vredig haar ademhalen:

zij weet niets van den nood
van ons schip, zij hoort
de seinen niet gillen
noch het angstige fluiten
driemaal, als een signaal
van den dood.

 

En in een van de laatste gedichten (genummerd ‘XLIV’) uit Tempel en kruis (1939), het poëtische testament dat Marsman kort voor zijn dood had voltooid, staat:

 

toen het middag werd, zag hij de zee;
en staand op het hete terras
in het schaduwloos zenithuur
steeg zijn hart uit de stervende as.

 

‘Dat Marsman kort daarop letterlijk eeuwige rust vond in de zee, is bijna te mooi om waar te zijn’, schrijft Ilja Leonard Pfeijffer in de door hem samengestelde bloemlezing Schuimende morgen (2006).

 

In memoriam H. Marsman

 

De dood van Marsman brengt een stortvloed aan reacties los. Een ongetwijfeld hoogtepunt in de herdenking vormt het dubbelnummer In memoriam H. Marsman dat het tijdschrift Criterium in september 1940 uitbrengt. Het bestaat uit meer dan tweehonderd pagina’s en bevat bijdragen van ruim veertig schrijvers, vrienden en bekenden.

 

Uit een dossier met correspondentie over het herdenkingsnummer dat het Literatuurmuseum bezit blijkt dat het nummer nog dikker had kunnen worden. Max Dendermonde bijvoorbeeld stuurde een hele gedichtencyclus – ‘het bleek mij niet mogelijk om de betekenis van het verlies van Marsman in één enkel vers te schetsen’ – maar een van de redacteuren vond ‘het ding’ maar ‘bar geleuter’ en ‘beneden peil’. Er zouden uiteindelijk maar twee gedichten uit de hele cyclus gepubliceerd worden.

Opvallend is de enorme betrokkenheid van de aangeschreven auteurs, ook van wie je het niet onmiddellijk zou verwachten. Verrassend is bijvoorbeeld de handgeschreven ‘Afscheidsgroet’ waarin Lodewijk van Deyssel als een van ‘de oudsten’ (‘van tachtig’) zijn verwantschap met Marsman uitspreekt. Het nummer opent ermee.

Vele persoonlijke gedichten worden ingestuurd. A. Roland Holst – eveneens van een iets oudere generatie – schrijft voor deze gelegenheid het gedicht ‘Ook Marsman’, dat tot het ontroerendste van zijn oeuvre wordt gerekend. Aangrijpend is ook het tweeluik ‘Moeder en muze’, dat Ed. Hoornik aan Marsmans moeder opdraagt. Het meest persoonlijk zijn de drie ‘Marsman’-gedichten waarin Gerrit Achterberg zijn medeleven met de door Frankrijk wegvluchtende dichter uitdrukt. Het eerste opent met de bede: ‘Red Marsman, die in Frankrijk woont, o God’.

 

De slotregel van het derde gedicht verwijst naar een brief die Achterberg op 24 februari 1940 van zijn ‘waarachtige vriend’ had ontvangen. Marsman schrijft dat hij voorlopig wel niet naar Nederland zal kunnen komen, en besluit zijn brief met: ‘Maar hoe dan ook, zien zullen wij elkaar zeker wel eens.’

 

Zeer getroffen

 

In het dossier zit ook een briefje van Maria Marsman-Van Wijk, de moeder van de dichter. Het lot had haar dubbel getroffen, want vlak nadat zij op de hoogte moet zijn gesteld van het overlijden van haar zoon, sterft ook haar man. Ze schrijft:

 

Hooggeachte Heeren,
Zeer getroffen door de ontvangst van ’t September nr van Criterium gewijd aan de nagedachtenis van mijn zoon zeg ik U allen hartelijk dank voor deze attentie en zeer groote waardeering.
               Uwe uitingen van vriendschap en sympathie, niet alleen over zijn werk, maar ook over zijn karakter doen mij goed en steunen mij in ’t dragen van ’t verlies, dat Henny’s heengaan voor mij is.

Op dat moment, 12 september 1940, heeft ze nog steeds geen officiële bevestiging van de dood van haar zoon, en ook weet ze nog niet precies hoe het met Rien is:

 

Zeer spijt ’t mij, dat ik U nog niets naders omtrent zijn Vrouw meedeelen kan, of ook namens Haar U voorloopig kan bedanken. ’t Roode Kruis heeft mijn verzoek om inlichtingen omtrent hen beiden doorgegeven naar dat te Genève, maar mij tevens medegedeeld, dat dit geruime tijd duren zou.

 

Vanwege de oorlogsomstandigheden zullen de beide vrouwen elkaar pas na de bevrijding terugzien. Als nabestaanden hebben zij – voorzover bekend – nimmer een overlijdensakte of een ‘rechtsvermoeden van overlijden’ gekregen. Marsmans lichaam is nooit gevonden, laat staan geborgen.

 

In dit licht heeft ook Achterbergs tweede ‘Marsman’-gedicht een voorspellende waarde gekregen:

 

Misschien dat eens de parelvisschers van Bizet hem vinden,
zooals hij neerligt op den bodem van den Oceaan
met centenaren water boven zich. Hij ziet de booten gaan
van Duitschland, Engeland, Amerika en Insulinde
binnen zijn oogen als het ware; tot het jongst gericht.

 

Dan zullen wij hem op de waterheuvelen zien staan,

zeggend tegen de hoogste sterren dood’s diepzeegedicht.

 

 

Colofon

tekst  PETER DE BRUIJN
eindredactie  AAFKE VAN HOOF

Toon verantwoording

 

 

 

LITERATUUR

 

Niels Bokhove en Arne Zuidhoek, ‘De laatste levensdagen van H. Marsman. Een kroniek.’ In: De Utrechtse Boekhouder. Tijdschrift voor Utrechts literair erfgoed 5 (2015), nr. 2, p. 1-11 en p. 34-36 (met dank aan Niels Bokhove, die mij op deze publicatie attendeerde).

Jaap Goedegebuure, Zee, berg, rivier. Het leven van H. Marsman. Amsterdam, 1999.

H. Marsman, Schuimende morgen. Een keuze uit zijn gedichten door Ilja Leonard Pfeijffer. Amsterdam, 2006.

H. Marsman, Verzamelde gedichten. 22e druk. Amsterdam, 2002.