Prik ’m in de touwen

door Marc van Zoggel

Sportjargon kan een bron van fascinatie en van irritatie zijn. Al in 1923 donderpreekte de gereformeerde dominee Klaas Schilder in het boekje Kerktaal en leven over de ‘rariteiten’ die de Nederlandse taal waren binnengedrongen door toedoen van de sportwereld: ‘De allermalste sport-maniakken van onze krachtpatserige eeuw, de heertjes, die om hun biceps in de krant komen, die verfilmd en gekiekt en bebloedneusd of belauwerkranst worden, ze hebben ons een taaltje geschonken om van te ijzen.’

 

Godfried Bomans maakte juist graag gebruik van de taalrijkdom van de sport, zij het nooit zonder ironie. In het feuilleton De onsterfelijke Pa Pinkelman, in het eerste kwartaal van 1952 in de Volkskrant afgedrukt, biedt Pinkelman zich aan als doelverdediger. Abe Lenstra is sceptisch: ‘Hij nam Pinkelman terzijde en fluisterde: “’t Is allemaal heel aardig, maar weet je wel wat voor systeem we eigenlijk spelen?” “Stopperspil”, opperde Pa Pinkelman, “met teruggetrokken W-formatie.” “Precies”, zei Lenstra, “zwervende backs, voedende middenlinie en breed spel in de voorhoede.” “Productief”, mompelde Pa Pinkelman, “voor de woning met dat ding. Prik ’m in de touwen.”’

 

Het bruine monster

 

In het Bomans-archief in het Literatuurmuseum wordt een aan twee kanten beschreven velletje met de titel ‘Voetbal’ bewaard. Volgens een bijgevoegd afschrift zijn het ‘aforismen’, maar die typering dekt de lading niet; het is een lijstje met voetbaljargon, waarschijnlijk overgenomen uit sportverslagen. We lezen bekende formuleringen als ‘De puntjes gingen mee naar Amsterdam’, ‘Hij kreeg de bal op een presenteerblaadje’, ‘Lat en paal traden herhaalde malen reddend op’ en ‘Hij joeg de bal in de touwen’. Ook klassieke voetbalmetaforen passeren de revue: de bal wordt ‘het bruine monster’ en ‘het leder’ genoemd, een snoeihard schot is ‘een gloeiende kogel’ en een doel waarin nog niet is gescoord heet ‘maagdelijk’.

 

De aantekeningen kunnen gedateerd worden op basis van een drietal namen dat erin voorkomt: ‘De kleine Wels gaf goed voor, doch W. begreep de bal niet’; ‘Smit nam, als gewoonlijk, de taak van zwerver weer op zich’; ‘Caldenhove, de toovenaar op de vierkante meter’. Drie spelers die in de jaren dertig geregeld voor het Nederlands elftal uitkwamen: Frank Wels (Unitas; 36 interlands, 1931-1938), Kick Smit (Haarlem; 29 interlands, 1934-1940 en 1946) en Bertus Caldenhove (DWS; 25 interlands, 1935-1940).

 

Wels was een rappe buitenspeler van 1 meter 63, de man van de assist bij de beroemde duikkopbal van Beb Bakhuys in 1934. Een ‘zwerver’, zoals Smit wordt aangeduid, was in die jaren een binnenspeler (het standaardsysteem was 2-3-5, waarbij de vijfmansvoorhoede bestond uit een midvoor, twee binnenspelers en twee buitenspelers) die de vrijheid nam om uit zijn positie te lopen – wat we vandaag de dag een ‘vrije rol’ zouden noemen. Vanwege zijn verfijnde techniek in de kleine ruimte kreeg linksback Caldenhove de bijnaam ‘meester van de vierkante meter’. Alle drie waren na de oorlog nog enige tijd actief alvorens zij hun kicksen aan de wilgen hingen. Bomans maakte de aantekeningen dus mogelijk al in de jaren dertig of veertig.

Doctor in de voetbaltheorie

 

Wat is nu de status van deze velletjes? In het werk van Bomans komen we Wels, Smit en Caldenhove vaker tegen. Zo wordt de eerste scorend opgevoerd in De onsterfelijke Pa Pinkelman: ‘de tweede goal, ditmaal van de kleine Wels. De kwieke kleuter dribbelde handig naar binnen, maakte een schaarbeweging, gaf een hakje en prikte toen het leder vlak onder de bovenlat de touwen in.’ Smit en Caldenhove duiken opvallend genoeg telkens op met dezelfde epitheta.

 

In de Volkskrant van 27 maart 1948 bezoekt een ‘speciale verslaggever’ Bomans nadat de twee Haarlemse clubs in de hoogste klasse, EDO en Haarlem, kampioen zijn geworden in hun afdeling. Dat Bomans niet alleen de geïnterviewde maar ook de interviewer is wordt snel duidelijk, want hij zou ‘aan de universiteit van Leuven tot doctor in de voetbaltheorie gepromoveerd’ zijn ‘op het proefschrift: “Het dribbelen bij Kick Smit. Een critische beschouwing”’. Dr. Bomans noemt Smit de grootste voetballer, ‘alleen al aan zijn dribbelwerk heb ik 350 pagina’s van mijn proefschrift gewijd’.

 

Maar ‘machtiger is Smit nog, wanneer wij hem uit het oogpunt van “zwerver” zien. Ook als “sjouwer” biedt hij een verrukkelijke aanblik. Als “zwoeger” is hij weer wat minder, maar hij zwoegt niettemin bevredigend. Als “voeder” van de middenlinie begint hij de laatste jaren wat te verslappen, maar wij moeten niet vergeten, dat hij nu al vijftien jaren voedt, en dat gaat een mens ook niet in zijn kouwe kleren zitten.’ Bomans wordt ook naar zijn ‘mening over Van Daalen’ – Haarlem-stopperspil Wiggert van Daalen jr. – gevraagd: ‘Met Caldenhove zou ik hem willen noemen: de magiër van de vierkante meter.’

In zijn huis in Bloemendaal, jaren '60

 

Een éénbener

 

In 1949 maakt Bomans een parodie op de dertiendelige artikelenreeks ‘Abe Lenstra, de mens, de Fries en de voetballer’ die Jan Vesters en Abe Frankena voor de Volkskrant schrijven. ‘Arie Rekelbast, de mens, de Haarlemmer, de voetballer’ wordt in vier afleveringen gepubliceerd, eveneens in de Volkskrant. Rekelbast, ‘de beroemde midvoor van “De Spaarneboys”’, is een soort Kick Wilstra, de wondermidvoor-in-stripvorm van Henk Sprenger die later dat jaar zou debuteren in de Ketelbinkie Krant. Hij wordt geroemd om zijn ‘ijle pincetwerk, dat hem de bijnaam verschaft heeft van “de magiër op de vierkante meter”. Kijk hem daar eens met de bal goochelen. Dit is geen voetbal meer, dit is toveren, dit is jongleren, dit is regelrechte buiksprekerij.’

 

Rekelbast is ‘een z.g. “tweebenig” speler (een tweebenig speler is niet – wat men zou verwachten – een speler, die op twee benen loopt, want dat komt betrekkelijk meer voor, maar iemand, die zowel rechts als links schiet)’. Op het lijstje aantekeningen in het archief lezen we: ‘Jammer dat onze rechtsbuiten een uitgesproken éénbeener is.’ Jaren later zou Jeroen Brouwers nog struikelen over deze terminologie. Toen zijn nieuwe uitgever Ronald Dietz zich in een interview als ‘een tweebenige voetballer’ typeerde, ontlokte dit Brouwers, toch een begenadigd polemist, zeldzaam flauw gesnauw: ‘Hallo! Zijn er ook driebenige? Dat komt, ik kijk nooit naar Studio Sport, alleen als er voetballen voor eenbenigen is.’

Foto: Maria Austria, jaren ‘50

Wij wisten niet beter

Rekelbast maakt nog een keer zijn opwachting in Elseviers Weekblad van 12 april 1952, waarin hij wordt geïnterviewd naar aanleiding van de smadelijke nederlaag van Oranje tegen België (4-2): ‘Onze jongens pingelen niet meer,’ luidt zijn diagnose. ‘Wij lagen te eieren met zo’n bal. Tik, tik, tik, je melkte zo’n bal uit tot er niets meer in zat en dan pas speelde je ’m over de hele. ’t Was individueel werk. Dat kennen ze tegenwoordig niet meer. Dat is er uit. En ’t komt er ook niet meer in. Caldenhove was de laatste magiër van de vierkante meter. Maar wij waren allemaal magiërs. Dat vonden we heel gewoon. We wisten niet beter. Zo zat dat toen.’ Ook een Kick Smit wordt node gemist: Smit was ‘de laatste sjouwer. Kick was een zwoeger, een zwerver, een voeder. Hij voedde. Dat deden wij allemaal, daar hadden we plezier in.’

 

Op 5 februari 1955 schrijft Bomans onder zijn alias Parlevink een stukje in de Volkskrant naar aanleiding van een ‘dames-voetbalwedstrijd’ in Velsen. De vrouw is ‘van nature een dribbelaarster’, aldus Bomans. ‘Zij is gelijk weleer Bertus Caldenhove, de magiër van de vierkante meter. Zij is een meesteres in het sijbelen met de bal, het ijle pingelwerk, kortom, het tribune-spel.’

 

In het najaar van 1971, kort voor zijn plotselinge overlijden, interviewt Bomans Johan Cruijff voor Elseviers Magazine. Hij etaleert hierbij nogmaals zijn fascinatie voor de voetbalterminologie én voor baltovenaar Caldenhove. Bomans bewondert in Cruijff diens ‘onbegrensd vermogen tot improvisatie. Elke andere voetballer beschikt over een aantal trucs dat, hoe bewonderenswaardig ook, toch beperkt is en tot zijn “repertoire” gerekend moet worden. Je hebt er die elk kopduel winnen, anderen kunnen een “kromme” afgeven of beoefenen het “overstapje”, weer anderen zijn sterk in de één-twee-combinatie of excelleren in het “doodmaken” of het “meteen op de slof nemen” van een bal of zij zijn meesters in het “dribbelen”.’ Pas via Caldenhove komt Bomans bij Cruijff: ‘ik herinner mij bij voorbeeld Bertus Caldenhove, die over een arsenaal schijnbewegingen beschikte dat hem de bijnaam “de magiër op de vierkante meter” bezorgde’.

Op 25 december 1971 verscheen Bomans' laatste interview, met Johan Cruijff in Elseviers Magazine. Collectie erven Bomans

 

De voorzet van Wels, het zwerven van Smit en de magie op de vierkante meter van Caldenhove. Een onooglijk velletje met aantekeningen blijkt een reservoir waaruit Bomans nog jarenlang bleef putten.