Niets doorgestreept

door Renée van Marissing

In het archief van dichter en schrijver Hans Lodeizen (1924-1950) in het Literatuurmuseum ligt tussen de verschillende documenten en manuscripten een dubbelgevouwen papier. Het is een lijst met voornemens die in fases lijkt te zijn geschreven, de eerste vijf onderwerpen zijn genummerd, de overige niet. Vier zwarte strepen groeperen en onderscheiden de verschillen actiepunten.

 

Deze lijst moet Lodeizen gemaakt hebben in 1945, toen hij korte tijd in Leiden studeerde. Hij had twee jaar eerder al examen gedaan en zijn gymnasiumdiploma gehaald en wilde in 1943 gaan studeren, maar de Leidse universiteit was op last van de Duitsers gesloten. Uiteindelijk begon hij twee jaar later met zijn rechtenstudie.

 

Biograaf Koen Hilberdink schrijft hoe Lodeizen rond zijn dertiende het boek De weg tot het inzicht van filosoof J.D. Bierens de Haan las en gegrepen werd door de teksten over systematisme als levenskunst.
 

Ik besteedde dan ook vele uren en vele dagen plannen makend voor mijn toekomst – op mijn bureau lag een dikke map met schema's en jaartallenlijstjes, met de datums voor het verschijnen van mijn respectievelijke boeken, met de jaren aangewezen voor liefdesavonturen, en de jaren bestemd voor werk.
 

 

De lijst schetst een dolende Lodeizen. Met zijn studie gaat het niet goed, hij wilde biologie studeren, maar met zijn alfadiploma is dit in Nederland onmogelijk en wordt het een rechtenstudie. Hij komt vaak niet opdagen tijdens colleges maar is wel op zoek naar iemand die hem zou kunnen begeleiden zodat hij alsnog examens kan doen. Uiteindelijk zal hij in 1946 stoppen met deze studie en alsnog biologie gaan studeren, in Amherst (Massachusetts).


Aangezien hij blijkbaar voornemens is te solliciteren bij de Bataafse Petroleum Maatschappij, langs wil gaan bij een wervingsbureau en wil kijken of Cor Ruys (revueartiest en kennis van de moeder van Lodeizen; in 1945 was Ruys directeur van Het Vrije Toneel) hem ‘gebruiken kan’, lijkt het erop dat hij hier zelf al weinig fiducie meer heeft in de toekomst van zijn studie.


Tegelijkertijd is hij bezig met de literatuur. Hij zoekt een uitgever voor een ʻDagboekʼ en een letterkundig tijdschrift voor zijn sonnetten. En dan is er nog het mierenartikel. 

Een constante in het leven van Hans Lodeizen is zijn fascinatie voor mieren. Deze interesse is begonnen toen hij als kind vanwege zijn astma vaak niet naar school kon en urenlang de mieren in de tuin bestudeerde. Omdat hij veel thuis zat, sloot hij geen vriendschappen met andere kinderen, maar wel met de mieren, zo is in de korte prozatekst ʻLife with fatherʼ (opgenomen in de bundel Nagelaten werk) te lezen:
 

Ik geloofde in de dieren en hun oneindige goedheid, zij waren een troost voor mij want zij bestonden niet: het was een familie van liefkozingen die tot mijn zoetste en zwakste verbeelding sprak. O, ik kan zeggen dat ik heb liefgehad! Ik ben zoveel middagen als het net donker begon te worden de tuin ingegaan, langs de bloemperken slenterend en de geur der rozen inademend. Ik heb de mieren vertrouwd die zich ook, net als ik, verborgen in de donkere aarde, gouden geheimen in het zand. En de morgens die als een beker met tranen wachtten, bleke wijn die me dronken maakte met verlangen en visie. Het was toen dat ik de wereld heb ontdekt.


Hij zette mierenkolonies uit in de tuin en verzamelde allerlei materiaal dat hij jaren later gebruikte voor publicaties zoals het artikel dat op dit lijstje staat.

 

Op de achterkant van het dubbelgevouwen papier staan twee regels Latijn:

Hora novissima, tempora pessima sunt — vigilemus.
Ecce minaciter imminet arbiter ille supremus.

Wat vrij vertaald zoveel betekent als:

Deze huidige dagen zijn de ergste tijden: laat ons waakzaam zijn.

Aanschouw de dreigende komst van de Hoge Rechter

 

Het zijn de eerste twee regels van 'De Contemptu Mundi', een 3000 verzen tellend satirisch gedicht uit de twaalfde eeuw, geschreven door Bernard van Cluny. De tekst verhaalt over de misstanden die hij zag in zowel de religieuze als de seculiere wereld, over het voorbijgaande karakter van materialistisch plezier en de permanente aanwezigheid van spirituele vreugde.

Zouden voor- en achterkant bij elkaar horen? Of heeft Lodeizen achteloos de ene tekst omgedraaid zodat hij de achterkant van het stuk papier kon hergebruiken?

Dat laatste lijkt me aannemelijker. Als ik zie waar ik mijn lijstjes op schrijf (enveloppen, mislukte printjes, resterende pagina’s uit oude schoolschriften), stel ik me voor dat Hans Lodeizen om zich heen heeft gekeken, het papier met de regels van het gedicht over het minachten van de wereld omdraaide en er zijn plannen op smeedde.

Maar misschien draai ik de zaken om, is het gedicht de voorkant. Hij leest deze regels, vindt ze de moeite waard om over te schrijven, ziet de lijst en draait het papier om.

Zelf zet ik altijd een streep door de punten van mijn lijsten die ik gedaan heb, dat is voor mij het doel van het opstellen ervan, dat ik met voldoening kan doorstrepen. Lodeizen heeft niets doorgestreept en ik vraag me af welke van deze zaken hij heeft afgehandeld. Heeft Cor Ruys hem kunnen gebruiken? Heeft hij een avond lang met luitenant Koning gepraat? En hoe lang hebben de boeken en de hoed nog bij Kruisinga gelegen?