Moordenaar met een maar

door Yannick Dangre

Laat ik beginnen met een bekentenis: ja, ook ik smul van moordmysteries. Van gouwe ouwe detectives als Morse en Tatort tot de met alle toeters en bellen gemaakte serie The people versus O.J. Simpson, voor een avondje moord en doodslag ben ik altijd wel te vinden. Net als jullie ben ik van het principe: hoe waargebeurder, hoe beter. Op voorwaarde uiteraard dat er een aswolkje mysterie omheen stuift.
 

Ik was dan ook blij als een kind van mijn tijd toen ik in het Literatuurmuseum op de cold case van Hein Boeken (1861-1933) stootte. Deze dichter werd in 1916 vrijgesproken van de moord op zijn vrouw. Het voorval werd, net als zijn hele oeuvre trouwens, snel vergeten, tot Boudewijn Büch het van onder het stof haalde en Boeken wegzette als ‘wurger’ en ‘geile viespeuk’. Maar verdient Hein al die hoon? Laten we, als topdetectives in ’t diepst van onze gedachten, de feiten reconstrueren.
 

 

Drie flesjes laudanum

 

De moord op Dien Boeken vindt plaats op 22 januari 1916. Aan de vooravond van de fatale dag geeft Hein zijn vrouw, op haar eigen verzoek, drie flesjes laudanum. De geliefden zeggen elkaar teder vaarwel en Dien neemt de verdovende middelen in.


Hun plan gaat echter, als om de suspense op te drijven, op het laatste moment mis. De laudanum blijkt niet krachtig genoeg en Hein haalt er ’s ochtends een dokter bij, die alleen maar kan vaststellen dat Diens toestand zeer ernstig is. In de uren daarna zwerft Boeken doelloos door de stad, doodsbang dat zijn vrouw weer zal ontwaken. Zij zou hem, verklaart hij later, immers ‘de hevigste verwijten maken’ omdat hij had nagelaten haar definitief te laten inslapen.

Ten einde raad neemt Boeken het heft in handen:


Ik heb toen eindelijk besloten mijn vrouw zelf te doden, vooral omdat ik mij gebonden achtte aan mijn belofte dat ik zou zorgen dat zij niet in een gesticht kwam.
 

 Aanvankelijk probeert Boeken zijn vrouw met zijn blote handen te wurgen, maar omdat dit niet lukt, bindt hij een laken om Diens hals. ‘Ik heb haar daarbij nog een kus op het voorhoofd gegeven en gezegd dat zij mij dankbaar zou zijn voor hetgeen ik deed. Ik voelde mij volkomen rustig.’ Daarna gaat hij naar de dokter om te melden wat hij gedaan heeft.

 

Tijdens het proces houdt Boeken vol dat het om hulp bij zelfdoding ging, ook al is er anno 1916 nog lang geen sprake van een euthanasiewet of zelfs maar -praktijk. Hij wordt dan ook schuldig bevonden aan doodslag, ‘doch niet strafbaar’ geacht. De rechter meent dat ‘de beklaagde tijdens het plegen van het ten laste gelegde feit op zodanige wijze was gestoord in zijn verstandelijke vermogens dat dit feit hem niet kan worden toegerekend’.
 


Nu vragen we ons, verslaafd als de televisie ons heeft gemaakt aan dubbele bodems, natuurlijk af of dit oordeel gefundeerd is. Was Boeken écht gek, of gaat het hier om een begripvolle rechter die – tijdens wat het eerste euthanasieproces in Nederland moet zijn geweest – Hein krankzinnig verklaart om tot een humane uitkomst te komen? Kortom, ging het nu wel of niet om euthanasie?

 

 

Haar lieflijkheid blijft mij als heugenis over

 

Het krachtigste argument pro is natuurlijk de doodswens van Dien Boeken. Die is boven alle twijfel verheven, want al kort na hun huwelijk in 1899 zinkt ze weg in depressies, waarvoor ze zelfs een tijdje wordt opgenomen in een gesticht. Die traumatische ervaring, nog versterkt door het vroegtijdige overlijden van hun enige zoontje in 1903, doet haar afglijden naar de krankzinnigheid en bijna dagelijks vraagt zij haar man om haar uit haar lijden te verlossen. Na jarenlang verzet geeft Hein toe.
 

Sterker nog, Boeken is na al die tijd rotsvast overtuigd dat dit de beste oplossing is. Zo schrijft hij amper één dag na de feiten aan zijn boezemvriend Willem Kloos:

 

Zij had het leven en het licht ontzaglijk lief, en wist te genieten, maar alles werd verduisterd door den demon der krankzinnigheid, die zij altijd zag naderen. De toekomst was voor ons afgesloten. […] Zij is door den dood verlost uit ontzettend geestelijk lijden. […] Nu is het verleden er mij te liever en des te mooier door.

Later, in brieven die hij in de gevangenis schrijft, maakt hij wel gewag van zijn gemis, maar ook hier geen zucht van twijfel over zijn daad. Hij meldt zijn vrienden: ‘Jullie moeten dankbaar zijn dat D. niet meer leeft; ik heb hier vrede.’
 

Het is opvallend dat er van deze cruciale gebeurtenis ook nauwelijks sporen in Boekens latere werk te vinden zijn. Hij zal Dien bijna twintig jaar overleven, maar komt in die tijd niet verder dan drie in memoriam-sonnetten en een paar verspreide toespelingen. Uit de sonnetten spreekt berusting en zelfs enige opluchting (‘Zij heeft haar wens’, ‘Van ’s levens kwaal genas zij,/ haar lieflijkheid blijft mij als heugenis over’). Dien is dus geen tragische geliefde die hem ontrukt is, geen vleesgeworden noodlot. Boeken blijft er de rest van zijn dagen van overtuigd: haar dood was noodzakelijk en hij heeft haar daarbij slechts geholpen.

Nu zijn dit sterke argumenten om van euthanasie te spreken, maar dat is buiten het duiveltje op onze schouder gerekend, en daar luisteren we stiekem natuurlijk het liefst naar.
 

Zo zou het ons wijzen op het simpele feit dat Boeken zijn vrouw eigenhandig gedood heeft. Waar er, door het voorzien van flesjes laudanum, eerst sprake was van passieve euthanasie, wordt dat uiteindelijk een zeer actieve vorm. Boeken blijft zelfs verbazend koelbloedig, want na de eerste mislukte poging snoert hij ‘volkomen rustig’ het laken om Diens hals dicht. Het is maar de vraag of zoiets vandaag ook niet gewoon als doodslag zou worden beschouwd.
 

Als we de getuigenverslagen van het proces erop nalezen, ontdekken we bovendien dat deze ultieme liefdesdaad een nachtzwart randje heeft. Het huwelijk van het echtpaar Boeken bleek verre van rozengeur en maneschijn. Zo is Hein impotent, iets wat volgens de artsen zo op hem woog dat hij er een oorzaak van Diens deplorabele toestand in zag. De schuldbewuste Hein probeerde dit te compenseren door nog meer aan Diens wensen tegemoet te komen, iets waar deze ‘op zichzelf gerichte vrouw’ gretig gebruik van maakte. De getuigen beweren dan ook unisono dat Boeken ‘geheel onder haar suggestie’ stond.
 

Dat zou een argument pro kunnen zijn (Boeken voert de door zijn vrouw bevolen euthanasie braafjes uit), maar het werpt toch vooral een schaduw op Heins altruïstische motieven. Boeken heeft, na anderhalf decennium aan zorgen, spanningen en doodsverzoeken, haast evenveel nood aan verlossing als Dien zelf. Hij heeft ‘belang bij de moord’, zoals De Cock ons zou influisteren. In dat opzicht slaagt Hein trouwens in zijn opzet, want zijn brieven en berichten na Diens dood zijn eensluidend: hij heeft eindelijk rust gevonden.

 

 

Een geval van euthanasie?

 

Verder is de vraag of Hein wel zo ontoerekeningsvatbaar was als de rechter beweert. Boeken wordt door zijn tijdgenoten getypeerd als een vreemde man ‘vol ingebeelde angst- en dwangtoestanden’ (prof. dr. L. Bouman), een ‘nobel-naïef en zwaar-stil mens’ (Kloos) en een ‘onpraktisch, soezig heerschap’ (P.G. van Anrooy). De verstrooide professor Boeken vindt soms de weg naar zijn eigen huis niet terug en draagt zijn drinkmaatje Kloos tijdens hun wandelingen soms kilometers lang op de rug als de dichtervorst moe is.
 

Een rare snuiter dus, maar zijn dit echt doorslaggevende argumenten om deze man krankzinnig te verklaren? In deze typeringen, gecombineerd met de ‘geëxalteerde toestand’ waarin Boeken volgens de dokter op de dag van de moord verkeerde (je zou voor minder...), vindt de rechter zijn grond om Boeken ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Dat is – misschien – wat te makkelijk. Ongetwijfeld speelde ook mee dat meerdere artsen verklaarden dat een gevangenisstraf ‘zeer nadelig’ voor de beklaagde zou zijn.

 

Was de dood van Dien Boeken een geval van euthanasie? Het eindoordeel blijft, zelfs voor een ervaren crimikijker als ik, dubbelzinnig. Je hebt de ‘nobel-naïeve’ man die uit liefde zijn zieke vrouw uit haar lijden verlost, maar je hebt ook de getormenteerde, half verknipte echtgenoot die koelbloedig doorgaat tot de ademhaling van zijn geliefde stokt en die na zijn daad nooit meer omkijkt. En dan is er nog een rechter naar wiens ware overtuiging het gissen blijft. Oordeel vooral zelf. Of doe zoals het duiveltje ons altijd influistert: wacht gewoon op de serie.